ECLI:NL:RVS:2023:286
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag contingent-urgentieverklaring ondanks maatschappelijke opvang en zorgplicht
Een alleenstaande moeder met twee kinderen verbleef in maatschappelijke opvang en vroeg een contingent-urgentieverklaring aan om uit de opvang te komen. Het college van burgemeester en wethouders van Haarlem wees de aanvraag af omdat zij niet aan de vereiste woonduur van ten minste twee van de drie jaren voorafgaand aan de opvang in Haarlem voldeed.
De aanvrager woonde voorafgaand aan haar verblijf in de maatschappelijke opvang in België en beroept zich op de hardheidsclausule en internationale verdragen, waaronder het EVRM en het IVRK, vanwege haar zorgplicht en de belangen van haar kinderen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dit oordeel.
De Afdeling oordeelt dat het college terecht geen bijzondere hardheid aannam die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt. Hoewel het doel van de Wmo is mensen te helpen zelfstandig te wonen, bestaat geen recht op gegarandeerde huisvesting. Het college mocht rekening houden met de schaarste aan woningen en de zelfredzaamheid van de aanvrager.
De internationale verdragen bieden geen direct afdwingbaar recht op woonruimte en de belangen van de kinderen zijn voldoende meegewogen. De aanvraag wordt daarom terecht afgewezen en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt de afwijzing van de contingent-urgentieverklaring wegens niet voldoen aan de woonduurvereiste en onvoldoende bijzondere hardheid.