Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[gedaagde sub 1] ,
2.[gedaagde sub 2] ,
1.De procedure
- de dagvaarding van 4 maart 2025, met bijlagen;
- de aantekeningen van de griffier van het mondelinge antwoord van [gedaagde sub 2] ;
- de repliek;
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een vordering tot betaling van een huurachterstand van €6.000,- door eiseres tegen twee medehuurders van een woning te Rotterdam. De huurders huurden de woning van december 2022 tot november 2024 met een maandhuur van €1.500,-. Eén van de huurders, gedaagde sub 2, erkende de vordering maar stelde dat hij nooit in de woning heeft gewoond en enkel de huurovereenkomst medeondertekende om de andere huurder te helpen.
De kantonrechter oordeelde dat de rechtsgevolgen van het huurderschap niet eindigen bij het opgeven van het hoofdverblijf, maar pas door beëindiging van de huurovereenkomst. Omdat niet was gesteld of gebleken dat de huurovereenkomst was opgezegd, zijn beide huurders hoofdelijk aansprakelijk voor de huurachterstand. De vordering tot betaling van de achterstand, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten werd toegewezen.
Daarnaast werden de proceskosten begroot op €1.358,94, waarvan de huurders hoofdelijk aansprakelijk zijn voor €1.070,-. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat het direct kan worden uitgevoerd ondanks eventuele hoger beroep procedures.
Uitkomst: De huurders worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, incassokosten, rente en proceskosten.