ECLI:NL:RBROT:2025:12336
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen Dienst Toeslagen
Opposante kwam in verzet tegen de uitspraak van 19 juni 2024 waarbij haar beroep tegen Dienst Toeslagen niet-ontvankelijk werd verklaard omdat zij niet aannemelijk had gemaakt dat de ingebrekestelling tijdig was ontvangen. Bij brief van 9 december 2024 wijzigde Dienst Toeslagen haar standpunt en erkende ontvangst op 19 februari 2024, waardoor twijfel ontstond over de eerdere uitspraak.
De verzetrechter oordeelde dat het verzet gegrond is en dat de eerdere uitspraak vervalt. Aangezien de beslistermijn op het bezwaar was overschreden en Dienst Toeslagen geen besluit had genomen, werd het beroep gegrond verklaard. De rechtbank stelde de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom vast op €1.442 en legde een dwangsom van €100 per dag op bij overschrijding van de termijn voor het nemen van een besluit, met een maximum van €15.000.
Daarnaast werd Dienst Toeslagen veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van opposante, berekend op €1.133,75. De rechtbank bepaalde dat binnen twee weken na verzending van de uitspraak een besluit op bezwaar moet worden genomen. Tegen het verzet is geen hoger beroep mogelijk, maar tegen het inhoudelijke besluit kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het verzet en beroep worden gegrond verklaard, de niet-ontvankelijkverklaring wordt vernietigd en Dienst Toeslagen wordt veroordeeld tot het nemen van een besluit binnen twee weken met oplegging van dwangsommen en vergoeding van kosten.