ECLI:NL:RBROT:2025:1238

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 februari 2025
Publicatiedatum
30 januari 2025
Zaaknummer
ROT 23/4344
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 29 ZWArt. 7:629 BWArt. 7:670b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Ziektewetuitkering wegens loondoorbetalingsverplichting werkgever bij nul-urencontract

Eiser heeft zich ziek gemeld na een bedrijfsongeval en verzocht om een Ziektewetuitkering. Het UWV wees de aanvraag af omdat eiser volgens hen in dienst was bij een werkgever met een nul-urencontract en recht had op loondoorbetaling.

Eiser betwistte de arbeidsovereenkomst en stelde dat deze gefabriceerd was om aansprakelijkheid te ontlopen. De rechtbank beoordeelde dat het UWV terecht uitging van het bestaan van een arbeidsovereenkomst, mede gelet op een vonnis tegen de werkgever en de wettelijke bepalingen.

De rechtbank oordeelde dat de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever bestond tot het einde van het dienstverband en dat eiser geen aanspraak had op Ziektewetuitkering zolang deze verplichting gold. De stelling dat de arbeidsovereenkomst stilzwijgend was geëindigd, werd niet gevolgd omdat daarvoor geen wettelijke grondslag of opzegging was gebleken.

Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de afwijzing van de Ziektewetuitkering bevestigd.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de Ziektewetuitkering bevestigd.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/4344

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaatsnaam] , eiser,
(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, UWV,

(gemachtigde: mr. H.M. van Gent).

Procesverloop

Met het besluit van 24 maart 2022 (het primaire besluit) heeft het UWV eisers aanvraag om een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) afgewezen.
Met het besluit van 26 mei 2023 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het UWV heeft op beroep gereageerd met een verweerschrift.
Eiser heeft op 15 januari 2025 aanvullende gronden ingediend.
De rechtbank heeft beroep op 30 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.

Overwegingen

1. Eiser heeft zich op 4 januari 2021 vanwege een bedrijfsongeval ziek gemeld bij het UWV per 28 december 2020. Het UWV heeft vervolgens eiser gevraagd om nadere gegevens. Met het besluit van 2 maart 2021 is eiser een ZW-uitkering geweigerd, omdat de gegevens niet zijn ontvangen.
2. Op 11 maart 2022 heeft eiser zich nogmaals per 28 december 2020 ziek gemeld. Het UWV heeft de aanvraag om een ZW-uitkering afgewezen en aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser van 15 december 2020 tot 1 februari 2022 in dienst was bij zijn (ex-)werkgever als oproepkracht en recht had op loondoorbetaling.
3. Eiser voert in beroep aan dat hij op het moment van de aanvraag om een ZW-uitkering niet in dienst van de werkgever was. Hij voert aan dat zijn voormalige werkgever gefraudeerd heeft met zijn arbeidsovereenkomst en het UWV onjuist heeft voorgelicht.
Bij aanvullend beroep heeft eiser stukken ingediend ter onderbouwing van zijn standpunt dat de voormalig werkgever een arbeidsovereenkomst heeft gefabriceerd om onder aansprakelijkheid uit te komen voor het te werk stellen van een arbeidskracht zonder deze bij het UWV aan te melden.

Beoordeling door de rechtbank

4. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde.
Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de ZW, wordt geen ziekengeld uitgekeerd, indien de verzekerde uit hoofde van de dienstbetrekking op grond waarvan hij de arbeid behoort te verrichten recht heeft op loon als bedoeld in artikel 7:629 van Pro het BW.
Ingevolge artikel 7:629, eerste lid, van het BW heeft de werknemer, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling daartoe verhinderd was, recht op loon.
5. Tussen partijen staat allereerst ter discussie of, zoals het UWV op grond van een door de (ex-)werkgever overgelegde, maar niet door eiser ondertekende, tekst van een arbeidsovereenkomst tot uitgangspunt neemt, sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen eiser en zijn (ex-)werkgever die is aan te merken als een overeenkomst voor bepaalde tijd met uitgestelde prestatieplicht, ook wel een nul-urencontract genoemd, welke overeenkomst volgens Suwinet is geëindigd per 1 februari 2022.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV hiervan uit mogen gaan. Hoewel het optreden van de (ex-)werkgever en zijn directeur op grond van de beschikbare gedingstukken, waaronder een vonnis van de economische politierechter van deze rechtbank van 21 december 2022, waarin de (ex-)werkgever veroordeeld is, vragen oproept, ziet de rechtbank in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht toch onvoldoende grond om aan te nemen dat tussen eiser en zijn (ex-)werkgever een andersoortige overeenkomst tot stand is gekomen. In het bijzonder kan dit niet worden afgeleid uit Whatsapp-correspondentie waarnaar eiser heeft verwezen, nu die, voor zover van belang ter zitting door eisers gemachtigde samengevat, neerkomt op ‘kom werken’ en er niets in is gezegd over enige arbeidsovereenkomst.
De rechtbank heeft evenmin aanleiding om uit te gaan van een andere einddatum van de arbeidsovereenkomst. Ter zitting is namens eiser in dit verband aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd, omdat er geen einddatum is afgesproken en de werkzaamheden na het bedrijfsongeval op 28 december 2020 feitelijk zijn beëindigd: beide partijen hebben sindsdien geen invulling meer gegeven aan de arbeidsovereenkomst. De rechtbank kan eiser hierin niet volgen. De wet kent deze beëindigingsgrond niet en evenmin is gebleken van een opzegging door de ene partij die door de andere partij is aanvaard, noch van een op grond van artikel 7:670b van het Burgerlijk Wetboek (BW) schriftelijk vastgelegde beëindigingsovereenkomst, noch, overigens, van een mondelinge beëindigingsovereenkomst.
6. Het voorgaande betekent dat het UWV zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 7:629 van Pro het BW van toepassing was ten tijde van de eerste ziektedag. Op grond van dit artikel rustte op de werkgever de verplichting om het loon van eiser overeenkomstig de arbeidsovereenkomst door te betalen.
7. In artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de ZW is bepaald dat geen ZW-uitkering wordt uitgekeerd indien de verzekerde uit hoofde van de dienstbetrekking op grond waarvan hij de arbeid hoort te verrichten, aanspraak kan maken op loon als bedoeld in artikel 7:629 van Pro het BW. De omstandigheid dat eiser uit hoofde van de dienstbetrekking recht heeft op loon tijdens ziekte brengt met zich dat, tot het einde van het dienstverband, geen aanspraak bestaat op ziekengeld. [1] Dat eiser in de periode van ziekte niet is opgeroepen en de werkgever geen loon heeft doorbetaald, doet niet af aan het feit dat de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever tot het einde van de arbeidsovereenkomst is blijven bestaan. Ten slotte is van een ziekmelding per einde dienstverband niet gebleken, zodat die niet ter beoordeling aan het UWV voorlag.
8. Gelet op het voorgaande heeft het UWV de aanvraag van eiser om een
ZW-uitkering per 28 december 2020 terecht afgewezen.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Damen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 22 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV6623, en van 25 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4169.