De zaak betreft een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij haar grootouders, alsmede verzoeken van de ouders tot afwijzing van deze machtiging en tot uitbreiding van de omgangsregeling.
De kinderrechter overweegt dat er ernstige zorgen zijn over de thuissituatie van de ouders, waaronder huiselijk geweld en het onverwachte overlijden van het jongere broertje van de minderjarige. Het NIKA-traject is nog niet gestart, het NFI-rapport ontbreekt en het strafproces van de ouders loopt nog, waardoor terugplaatsing nog niet verantwoord is.
De kinderrechter acht het belang van het kind voorop en verlengt daarom de machtiging tot uithuisplaatsing tot 2 januari 2026. Verzoeken van de ouders om de machtiging af te wijzen of de omgang fors uit te breiden worden afgewezen, omdat eerst het NIKA-traject moet worden ingezet en de regie over de omgang bij de gecertificeerde instelling moet blijven.
De grootouders begeleiden momenteel de omgang en dit verloopt naar behoren. De kinderrechter verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst erop dat hoger beroep mogelijk is.