ECLI:NL:RBROT:2025:12462
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen sluiting winkelpand wegens drugshandel
De burgemeester heeft besloten het winkelpand van verzoeker voor drie maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet, na een integrale controle waarbij handelshoeveelheden cocaïne, softdrugs, illegale sigaretten, erectiepillen en een wapen werden aangetroffen bij een werknemer in de winkel. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om de sluiting op te heffen tot op het bezwaar was beslist.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester bevoegd is tot sluiting omdat de aangetroffen hoeveelheid cocaïne ruim boven de gebruikershoeveelheid ligt en als handelshoeveelheid moet worden gezien. De sluiting is noodzakelijk om de openbare orde en veiligheid te herstellen, mede gezien meerdere MMA-meldingen over drugshandel vanuit de winkel in de voorgaande maanden en de aanwezigheid van andere illegale goederen.
De voorzieningenrechter acht de sluiting ook evenwichtig, ondanks het feit dat verzoeker stelt niet op de hoogte te zijn geweest van de drugshandel en dat [persoon B] geen werknemer zou zijn. Verzoeker blijft als eigenaar en exploitant verantwoordelijk voor het handelen in de winkel. De sluiting van drie maanden wordt daarom gerechtvaardigd geacht. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van het winkelpand wordt afgewezen; de sluiting blijft van kracht.