ECLI:NL:RBROT:2025:12612

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 oktober 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1769 – FT RK 25/1770
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratorium en opschorting ontruiming huurwoning voor zes maanden

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd ex artikel 287b Faillissementswet om de ontruiming van zijn huurwoning op te schorten. De rechtbank beoordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege het proces-verbaal van ontruiming en het exploot dat ontruiming op 30 september 2025 aankondigt.

De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die onder beschermingsbewind staat en de lopende huurtermijnen grotendeels heeft voldaan, tegen het belang van verweerster, die de ontruiming wil effectueren. Gezien de waarborg dat de huurtermijnen betaald worden en het minnelijk schuldhulpverleningstraject, weegt het belang van verzoeker zwaarder.

De voorziening wordt voor zes maanden toegewezen met de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw. De rechtbank benadrukt dat het samenwonen met de (ex)partner niet doorslaggevend is voor de beslissing.

Uitkomst: De rechtbank wijst het moratorium toe en schorst de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 20 oktober 2025
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats],
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 26 september 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 26 september 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 13 oktober 2025.
[naam 1], werkzaam bij Gerechtsdeurwaarders Velthoven De Koning heeft namens verweerster voorafgaande aan de zitting op 7 oktober 2025 aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
Ter zitting van 13 oktober 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mevrouw mr. M. Raaijmakers, werkzaam bij Holland Advocatenkantoor (hierna: gemachtigde namens verzoeker);
  • de heer L. Harthoorn, werkzaam bij BilancioBudget B.V. (hierna: beschermingsbewindvoerder);
  • [naam 1], werkzaam bij Gerechtsdeurwaarders Velthoven De Koning (hierna: gemachtigde namens verweerster);
  • [naam 2], beheerder van de woning (hierna: beheerder).
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het proces-verbaal van de rechtbank Rotterdam van 7 januari 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker ontvangt inkomen uit een PW-uitkering van € 684,53,- per maand. Daarnaast ontvangt verzoeker woonkostentoeslag van € 1.361,20 per maand. De woonkostentoeslag is bijzondere bijstand in de vorm van een gift en loopt van 1 juni 2025 tot en met 31 mei 2026. De huur bedraagt € 1.807,53. In de periode februari tot en met oktober 2025 zijn – weliswaar niet allemaal tijdig – de lopende huurtermijnen betaald. Daarnaast is er sprake van beschermingsbewind, waardoor ook voldoende is gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan.

3.Het verweer

In de vaststellingsovereenkomst is afgesproken dat de huurachterstand in 26 maandelijkse termijnen zou worden afgelost, naast de lopende huurtermijnen. Daarnaast werd afgesproken dat als een lopende huurtermijn of aflossing niet tijdig werd betaald verweerster alsnog mocht overgaan tot ontruiming. In plaats van het aflossen van de huurschuld en het betalen van de lopende huurtermijnen wordt een dure luxe personen auto gekocht, namelijk een Porsche met een nieuwprijs van € 135.047,-. Ook woont de (ex)partner, anders dan verzoeker stelt, nog steeds in de woning. Verweerster verzoekt het verzoek daarom af te wijzen.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het proces-verbaal van de rechtbank Rotterdam van 7 januari 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 10 september 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 30 september 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het proces-verbaal van 7 januari 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. De huurtermijnen vanaf februari tot en met oktober 2025 zijn – weliswaar niet altijd tijdig – betaald. Ook staat verzoeker onder beschermingsbewind, waardoor voldoende is gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden betaald. Verzoeker zal samen met zijn beschermingsbewindvoerder een oplossing gaan zoeken voor zijn schuldensituatie. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat het al dan niet samenwonen van verzoeker met zijn (ex)partner niet doorslaggevend is bij de beoordeling van het voorliggende verzoek.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 7 januari 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken proces-verbaal van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres], [postcode] te [woonplaats], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
26 september 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2025.