AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verzoeken om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet-ingediende bijstandsaanvragen
Verzoeker heeft tweemaal een bijstandsaanvraag gestart, op 14 juni 2025 en 26 juni 2025, maar deze aanvragen niet daadwerkelijk ingediend. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft verzoeker hierover geïnformeerd dat geen aanvraag was ontvangen en daarom geen besluit kon worden genomen. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze mededelingen en verzocht de voorzieningenrechter om voorlopige voorzieningen.
De voorzieningenrechter behandelde de verzoeken op 15 oktober 2025, waarbij de gemachtigde van verzoeker aanwezig was en de gemachtigde van het college niet. Op grond van artikel 43 vanPro de Participatiewet is het college gehouden het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag vast te stellen. Volgens vaste rechtspraak betekent een melding niet automatisch een aanvraag; een aanvraag vereist dat gegevens worden aangevuld en bewijsstukken worden overlegd.
Omdat verzoeker de aanvragen niet daadwerkelijk heeft ingediend, is er geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht genomen. De brieven van het college zijn slechts mededelingen dat geen aanvraag is ingediend en vormen geen besluit met rechtsgevolg. Daarom verklaart de voorzieningenrechter de verzoeken niet-ontvankelijk en neemt geen inhoudelijke beslissing over het recht op bijstand of voorschotten.
Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: De verzoeken om voorlopige voorziening worden niet-ontvankelijk verklaard omdat geen aanvraag is ingediend en er geen besluit is genomen.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 25/6828 en ROT 25/7127
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 oktober 2025 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[verzoeker], uit Rotterdam, verzoeker
(gemachtigde: mr. O.C. Bozbiyik),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
(gemachtigde: mr. T. Baltus).
Inleiding
1. Verzoeker is op 14 juni 2025 een bijstandsaanvraag gestart, maar heeft deze aanvraag niet daadwerkelijk ingediend. Het college heeft verzoeker met de brief van 24 juni 2025 meegedeeld dat zij geen aanvraag hebben ontvangen en daarom geen besluit kunnen nemen. De gestarte aanvraag is afgesloten in het systeem. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. ( zaak met nummer ROT 25/6828)
2. Op 26 juni 2025 is verzoeker wederom een bijstandsaanvraag gestart. Ook deze aanvraag is niet daadwerkelijk ingediend. Met de brief van 7 juli 2025 heeft het college verzoeker meegedeeld dat zij geen aanvraag hebben ontvangen en daarom geen besluit kunnen nemen. De gestarte aanvraag is afgesloten in het systeem. Verzoeker heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. ( zaak met nummer ROT 25/7127)
2.1.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 15 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: namens de gemachtigde van verzoeker, mr. N. Talhaoui. De gemachtigde van het college is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter verklaart de verzoeken niet-ontvankelijk. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
4. Op grond van artikel 43, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) stelt het college het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vast.
5. Volgens vaste rechtspraak volgt uit artikel 44 vanPro de Pw dat de melding en de aanvraag twee te onderscheiden juridische begrippen zijn [1] . Het doen van een melding (schriftelijk of digitaal) betekent niet dat er een aanvraag tot stand komt. Dat is pas het geval als de aanvraag daadwerkelijk wordt ingediend, waarbij een betrokkene zijn gegevens aanvult en bewijsstukken overlegt (bijvoorbeeld bankafschriften).
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker op 14 juni 2025 en op 26 juni 2025 wel een aanvraag is gestart, maar deze vervolgens heeft afgebroken en niet daadwerkelijk heeft doorgezet. Dit betekent dat geen sprake is van een ingediende aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
7. Omdat verzoeker op de bewuste data geen aanvraag heeft ingediend was het college niet gehouden een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb te nemen. De brieven van 24 juni 2025 en 7 juli 2025 bevatten enkel de mededeling dat geen aanvraag is ingediend en dat de gestarte aanvraag wordt afgesloten. Deze brieven zijn dus geen op rechtsgevolg gericht besluit in de zin van de Awb. De verzoeken om een voorlopige voorziening zijn daarom niet-ontvankelijk.
Conclusie en gevolgen
8. De voorzieningenrechter verklaart de verzoeken niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter de verzoeken niet inhoudelijk in behandeling neemt en geen uitspraak doet over de vraag of verzoeker recht heeft op een bijstandsuitkering of voorschotten daarop. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart de verzoeken om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.