ECLI:NL:RBROT:2025:12632

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
11831486 VV EXPL 25-467
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 RvArt. 139 RvArt. 556 RvArt. 444 RvArt. 557 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woning en betaling huurachterstand na onderhuur en huurachterstand

Vrienden Company verhuurt een woning aan twee huurders die een huurachterstand hebben laten ontstaan en de woning onderverhuren. In kort geding eist Vrienden Company ontruiming van de woning, betaling van de huurachterstand, winst uit onderverhuur en incassokosten.

De kantonrechter wijst de eis tot ontruiming en betaling van de huurachterstand grotendeels toe, maar weigert Vrienden Company zelf de woning te laten ontruimen, omdat alleen een deurwaarder daartoe bevoegd is. De vordering tot afdracht van winst uit onderverhuur wordt afgewezen omdat onvoldoende aannemelijk is dat de huurders deze winst hebben genoten.

Ook de incassokosten worden afgewezen omdat de ingebrekestelling niet aan de wettelijke eisen voldoet. Er zijn geen oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst aangetroffen. De proceskosten worden aan de huurders opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Huurders worden veroordeeld tot ontruiming en betaling van huurachterstand met rente, terwijl winst uit onderhuur en incassokosten worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11831486 VV EXPL 25-467
datum uitspraak: 16 oktober 2025
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
Vrienden Company Particulier O.G. B.V.,
vestigingsplaats: Schiedam,
eiseres,
gemachtigde: mr. P. van der Veld,
tegen

1..[gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagden,
die niet zijn verschenen.
De partijen worden hierna ‘Vrienden Company’, ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 21 augustus 2025, met bijlagen.
1.2.
Op 2 oktober 2025 is de zaak tijdens een zitting met mr. P. van der Veld besproken. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend.

2.De beoordeling

Waar gaat deze zaak om?
2.1.
Vrienden Company verhuurt een woning aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Volgens haar hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een huurachterstand laten ontstaan. Ook is volgens Vrienden Company gebleken dat er andere mensen in de woning wonen en dat de woning wordt onderverhuurd. Vrienden Company wil dat de kantonrechter [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarom veroordeelt om de woning te ontruimen. Ook eist zij dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden veroordeeld om de huurachterstand, de met de onderverhuur gemaakte winst en incassokosten te betalen, met rente.
Een groot deel van de eis wordt toegewezen
2.2.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 Rv Pro). Uit de stellingen van Vrienden Company volgt dat deze spoed aanwezig is. De eis wordt voor een groot deel toegewezen omdat deze niet onrechtmatig of ongegrond lijkt (artikel 139 Rv Pro). De kantonrechter licht hierna alleen toe welk deel van de eis zij afwijst en waarom.
Vrienden Company mag de woning niet zelf ontruimen
2.3.
De eis van Vrienden Company tot ontruiming van de woning wordt weliswaar toegewezen, maar de kantonrechter machtigt Vrienden Company niet om de woning zelf te ontruimen, in het geval [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat niet doen. Alleen de deurwaarder mag namelijk gedwongen ontruimen (artikel 556 Rv Pro). Daarbij kan de deurwaarder de hulp van politie en justitie inroepen (artikel 444 en Pro 557 Rv).
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoeven geen bedrag aan gemaakte winst te betalen
2.4.
Uit de huurovereenkomst, die Vrienden Company heeft overgelegd, leidt de kantonrechter af dat een zekere [persoon A] de woning vanaf 10 april 2025 verhuurt aan [persoon B] . In die huurovereenkomst staat een hogere huur dan de huur die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan Vrienden Company moeten betalen. Daarom wil Vrienden Company dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de winst, die met de onderverhuur wordt gemaakt, aan haar afdragen. Daarvoor moet wel voldoende aannemelijk zijn dat die winst ook aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ten goede is gekomen. Dat is niet het geval.
2.5.
In de hiervoor genoemde huurovereenkomst is immers [persoon A] als verhuurder opgenomen, zodat [persoon B] de hogere huur aan hem moet betalen. Er zijn geen aanwijzingen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op enige wijze bij de huurovereenkomst tussen [persoon A] en [persoon B] betrokken zijn en Vrienden Company heeft verder ook niet onderbouwd dat dat wel zo is. Sterker nog, tijdens de zitting heeft de advocaat van Vrienden Company aangegeven dat niet bekend is wie [persoon A] is en dat zelfs niet duidelijk is wie er nu precies in de woning verblijven. Omdat daarmee onvoldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] winst hebben gemaakt, wordt dat deel van de eis afgewezen.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoeven geen incassokosten te betalen
2.6.
De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. Vrienden Company heeft pas recht op een vergoeding als een brief is gestuurd waarin [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de kans hebben gekregen om binnen de in de wet genoemde termijn van veertien dagen alsnog zonder extra kosten te betalen (artikel 6:96 lid 6 BW Pro). In de brief van 4 juli 2025, die aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is gestuurd staat een termijn (zeven dagen) die niet voldoet aan de wet (ECLI:NL:HR:2016:2704).
Er zijn geen oneerlijke bepalingen
2.7.
De kantonrechter moet ambtshalve beoordelen of in de algemene bepalingen bij de huurovereenkomst oneerlijke bepalingen staan, zoals bedoeld in Richtlijn 93/13 EG.
De kantonrechter heeft onderzocht of er oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten de proceskosten betalen
2.8.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgen (artikel 237 Rv Pro). Zij zijn daarvoor hoofdelijk aansprakelijk. De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan Vrienden Company moeten betalen op € 146,43 aan dagvaardingskosten, € 706,- aan griffierecht, € 543,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.530,43. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.9.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Vrienden Company dat eist (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om binnen drie dagen nadat dit vonnis is betekend de woning aan de [adres] in Schiedam te ontruimen met alle personen en zaken die zich daarin bevinden, behalve de zaken die van Vrienden Company zijn, en de woning met alle sleutels ter beschikking van Vrienden Company te stellen;
3.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan Vrienden Company
€ 15.323,- aan huurachterstand tot en met juli 2025 te betalen, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarover steeds vanaf de tweede dag van de maand waarop de huur ziet tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om € 1.400,- per maand aan Vrienden Company te betalen met ingang van de maand augustus 2025 tot de dag waarop de ontruiming plaatsvindt, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarover steeds vanaf de tweede dag van de maand waarop de huur ziet tot de dag dat volledig is betaald;
3.4.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van Vrienden Company worden begroot op € 1.530,43;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
44487