Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- het tussenvonnis van 18 juli 2025 en de daarin genoemde stukken;
- de akte van [eiser] , met één bijlage;
- de akte van [gedaagde] .
Rechtbank Rotterdam
Eiser en gedaagde sloten een aannemingsovereenkomst voor het op maat maken en plaatsen van interieuronderdelen. Eiser bracht een eindfactuur uit van €12.732,11 inclusief btw, waarvan gedaagde slechts een deel erkent te moeten betalen vanwege onduidelijkheid over meerwerk.
In een tussenvonnis werd bepaald dat gedaagde de kosten van extra CNC en plaatmateriaal, een glazen bak en een logo moet betalen. Eiser moest de extra uren die hij in rekening bracht nader specificeren en onderbouwen dat deze het gevolg waren van fouten van een andere aannemer, binnen de risicosfeer van gedaagde.
Eiser kon echter niet voldoende specificeren of onderbouwen welke extra uren daadwerkelijk en redelijkerwijs voor rekening van gedaagde kwamen. De urenspecificaties waren te summier en onduidelijk, en het verschil in uren werd niet verklaard. Daarom wees de kantonrechter het gevorderde bedrag voor extra uren af.
Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €2.782,85 voor het meerwerk dat wel is vastgesteld, €403,29 aan buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke handelsrente over het toegekende bedrag. Daarnaast moet gedaagde de proceskosten van €1.319,22 betalen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €2.782,85 meerwerkkosten, €403,29 incassokosten, wettelijke rente en proceskosten; overige vorderingen worden afgewezen.