In deze uitspraak van de Rechtbank Rotterdam, gedateerd 27 oktober 2025, wordt het beroep van eiser tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Molenlanden behandeld. Eiser had verzocht om handhavend op te treden tegen maatschap [naam maatschap], die een veehouderij exploiteert. Het college had dit verzoek afgewezen, met als argument dat de bouw van een transformatorhuisje voor zonnepanelen vergunningvrij was. Eiser was het niet eens met deze afwijzing en voerde verschillende beroepsgronden aan. De rechtbank oordeelde dat het beroep gegrond was, omdat eiser ten onrechte niet was gehoord in bezwaar, wat in strijd was met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand, wat betekent dat het college geen nieuw besluit hoeft te nemen. Eiser kreeg het griffierecht vergoed, maar zijn verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat hij dit niet voldoende had onderbouwd. De uitspraak benadrukt het belang van de hoorplicht in bestuursrechtelijke procedures en de zorgplicht van het college in het kader van de Omgevingswet.