Eiseres, gedupeerde in de toeslagenaffaire, vroeg op 11 februari 2022 om overname van een geldschuld aan een gastouderbureau op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De minister wees de aanvraag aanvankelijk af omdat onduidelijk was of de schuld nog bestond. Eiseres maakte bezwaar en diende een herzieningsverzoek in, maar de minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en nam een ambtshalve beoordeling op in het besluit.
De rechtbank stelde vast dat de ambtshalve beoordeling als een primair besluit op het herzieningsverzoek moet worden gezien en dat het bezwaar daartegen ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en oordeelt dat de minister het herzieningsverzoek ten onrechte heeft afgewezen.
Feiten tonen aan dat eiseres een schuld van €14.848,31 exclusief rente heeft aan de gastouder voor opvang in 2018. De schuld is ontstaan na 2005, was voor 1 juni 2021 opeisbaar en nog niet voldaan bij de aanvraag. De rechtbank bepaalt dat de minister de schuld moet overnemen en betalen aan de gastouder, niet aan het gastouderbureau, om finale geschilbeslechting te bevorderen.
De rechtbank verklaart het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar ongegrond, maar het beroep tegen het besluit van 10 december 2024 gegrond. De minister wordt veroordeeld tot betaling van de schuld met wettelijke rente, vergoeding van griffierecht en proceskosten van €2.461,- aan eiseres.