ECLI:NL:RBROT:2025:12910
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging schuldhulpverlening
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam om haar schuldhulpverlening per 5 juni 2025 te beëindigen en haar voor zes maanden uit te sluiten van schuldhulpverlening. De voorzieningenrechter had eerder op 11 juli 2025 een verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Verzoekster diende een herhaald verzoek in, maar de voorzieningenrechter constateert geen belangrijke wijziging van feiten of ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak.
De schuldhulpverlening werd beëindigd vanwege het niet nakomen van afspraken door verzoekster, waaronder het niet melden van haar arbeidsinkomen vanaf september 2024, het niet volledig overmaken van salaris aan Geldplein, het ontstaan van nieuwe schulden en het weigeren van een machtiging voor budgetbeheer. Verzoekster betoogt dat de machtiging herroepbaar was en dat haar aflossingscapaciteit niet onjuist is vastgesteld, maar deze argumenten zijn reeds in de eerdere procedure beoordeeld.
De voorzieningenrechter concludeert dat het spoedeisend belang aanwezig is, maar dat het verzoek om voorlopige voorziening niet kan worden toegewezen omdat het standpunt van het college ongewijzigd is gebleven en er geen nieuwe feiten of ernstige onvolkomenheden zijn. Het college hoeft de schuldhulpverlening niet te hervatten, maar zal in overleg met Geldplein een mogelijke vervroegde aanvraag bespreken.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de beëindiging van schuldhulpverlening wordt afgewezen.