Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 4 augustus 2025, met bijlagen;
- de rolbeslissing van 3 september 2025;
- de akte van [eiseres] van 17 september 2025, met bijlagen.
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 12 november 2025 uitspraak gedaan in een huurgeschil tussen een verhuurder en een huurder. De huurder, gedaagde, heeft een huurachterstand opgebouwd sinds het begin van de huurovereenkomst op 1 april 2024. De verhuurder, eiseres, heeft een vordering ingesteld tot betaling van de huurachterstand, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de huurder een bedrag van € 7.082,30 aan huurachterstand moet betalen, maar heeft dit bedrag verlaagd ten opzichte van de oorspronkelijke vordering van de verhuurder. Dit is het gevolg van de vernietiging van een oneerlijk opslagbeding in de huurovereenkomst, dat de verhuurder het recht gaf om de huurprijs met maximaal 5% te verhogen bovenop de jaarlijkse indexering. De kantonrechter oordeelde dat deze bepaling oneerlijk was en niet binnen aanvaardbare grenzen viel.
Daarnaast heeft de kantonrechter de gevorderde incassokosten en rente afgewezen, omdat hierover ook een oneerlijke bepaling in de huurovereenkomst stond. De huurovereenkomst is ontbonden, en de huurder moet de woning binnen veertien dagen na betekening van het vonnis ontruimen. De kantonrechter heeft ook bepaald dat de huurder een gebruiksvergoeding van € 1.528,65 per maand moet betalen tot de ontruiming. De proceskosten zijn voor rekening van de huurder, die grotendeels ongelijk heeft gekregen in deze procedure. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de verhuurder het vonnis onmiddellijk kan laten uitvoeren, ook als de huurder in hoger beroep gaat.