De huurder [eiseres] huurt sinds 1998 een woning van SBWW en vordert herstel van gebreken en huurprijsvermindering wegens schimmelvorming, lekkages en andere gebreken. De verhuurder verzet zich hiertegen en vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming wegens huurachterstand.
De rechtbank stelt vast dat eerdere klachten en een uitspraak van de Huurcommissie uit 2022 reeds hebben geoordeeld dat de schimmelvorming en andere gebreken niet ernstig genoeg zijn voor huurprijsvermindering. De huurder heeft onvoldoende bewijs geleverd dat de gebreken zijn toegenomen of dat er sprake is van een gebrek dat de schimmel veroorzaakt. Ook de stellingen over lekkage en keukengebreken zijn onvoldoende onderbouwd.
De vordering tot huurprijsvermindering wordt daarom afgewezen. De verhuurder eist ontbinding van de huurovereenkomst wegens een huurachterstand van meer dan drie maanden. De rechtbank oordeelt dat het belang van de huurder om in de woning te blijven zwaarder weegt dan dat van de verhuurder bij ontbinding, mede omdat de huurder een goed inkomen heeft en bereid is de achterstand in te lopen. Wel wordt de huurder veroordeeld tot betaling van de huurachterstand van € 2.587,14.
De proceskosten in conventie worden aan de huurder opgelegd, terwijl in reconventie de proceskosten worden gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.