Vier werknemers van een uitzendbureau in de technieksector zeggen hun arbeidsovereenkomsten op en treden in dienst van een concurrent opgericht door de broer van hun ex-werkgever, na een interne ruzie tussen de broers. Drie werknemers hadden een concurrentie- en relatiebeding in hun contract, waarvan zij eind augustus 2025 ontheven werden door de broer, die ook bestuurder was van het oorspronkelijke bedrijf en de concurrent. De kantonrechter oordeelt dat deze ontheffing onrechtmatig en vernietigbaar is omdat de broer handelde in strijd met de belangen van het oorspronkelijke bedrijf.
De kantonrechter stelt vast dat de drie werknemers nog gebonden zijn aan hun bedingen en dat hun overstap naar de concurrent onrechtmatig is. Er is geen gerechtvaardigd vertrouwen dat zij niet aan de bedingen gehouden zouden worden, mede omdat zij op de hoogte waren van de ruzie en het tegenstrijdig belang van de broer. De kantonrechter wijst het verzoek van de werknemers tot schorsing van de bedingen af, omdat het belang van de werkgever bij handhaving zwaarder weegt.
De werknemers worden verboden om tot 1 oktober 2026 voor een concurrent binnen 50 kilometer te werken en zakelijke contacten te onderhouden met klanten van de werkgever, onder dwangsom. Ook wordt geheimhouding over vertrouwelijke gegevens opgelegd. Gedaagde 4, zonder bedingen, wordt niet veroordeeld tot werkverbod maar wel tot geheimhouding. Verzoeken tot verwijdering van bedrijfsgegevens en voorschotten op boetes worden afgewezen. De drie werknemers worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.