Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats 1] , eiser
de burgemeester van de gemeente [plaats 1] , de burgemeester
[derde partij]uit [plaats 2] .
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft het beroep van eiser tegen het besluit van de burgemeester om zijn woning voor drie maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De burgemeester sloot de woning vanwege de vondst van aanzienlijke hoeveelheden hard- en softdrugs, wapens en drugshandelattributen, en de betrokkenheid van de zoon van eiser bij georganiseerde drugscriminaliteit.
De rechtbank oordeelt dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting en dat de maatregel noodzakelijk en evenwichtig is. De woning vormde een schakel in de drugshandel, vooral als opslagplaats, wat de noodzaak van sluiting rechtvaardigt. De belangen van eiser zijn meegewogen, maar zijn verantwoordelijkheid als hoofdbewoner om toezicht te houden weegt zwaarder.
Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat hij vanwege zijn mentale toestand aan de woning gebonden is. De rechtbank concludeert dat de burgemeester niet had moeten volstaan met een minder ingrijpende maatregel en dat de woningsluiting passend is. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het besluit blijft in stand en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de woningsluiting wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.