ECLI:NL:RBROT:2025:13221

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
ROT 25/8115
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening sluiting woning wegens drugshandel

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam op 30 oktober 2025 uitspraak gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker, die het niet eens was met de sluiting van zijn woning door de burgemeester van Schiedam. De sluiting was bevolen omdat er een handelshoeveelheid harddrugs (MDMA) en chemicaliën in de woning waren aangetroffen, wat duidt op drugshandel. Verzoeker, die worstelt met verslavingsproblematiek, stelde dat de sluiting niet evenredig was en dat hij in zijn woning moest kunnen blijven wonen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek afgewezen, oordelend dat de sluiting een geschikt en noodzakelijk middel was om de openbare orde te handhaven en dat er geen relevant tijdsverloop was dat de sluiting onterecht zou maken. De burgemeester had de sluiting voor twee weken bevolen, wat in overeenstemming was met het Damoclesbeleid. De voorzieningenrechter concludeerde dat de burgemeester in redelijkheid tot sluiting had kunnen besluiten, gezien de ernst van de overtreding en de risico's voor de omgeving. De uitspraak benadrukt de belangenafweging tussen de persoonlijke omstandigheden van verzoeker en de noodzaak van handhaving van de openbare orde.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/8115
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 oktober 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , uit Schiedam, verzoeker

(gemachtigde: mr. L. Hofman),
en

de burgemeester van Schiedam

(gemachtigde: mr. E. de Neef ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Woonplus Schiedam uit Schiedam (Woonplus).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de sluiting van zijn woning.
1.1.
Met het bestreden besluit van 14 oktober 2025 heeft het college de sluiting bevolen van de woning van verzoeker op het [adres] in Schiedam (de woning). Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker, met [persoon A] en [persoon B] (begeleidsters van verzoeker), en de gemachtigde van de burgemeester. Namens Woonplus zijn verschenen: [persoon C] en [persoon D] .
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?
2. Op 30 augustus 2025 hebben politieambtenaren de woning bezocht vanwege de melding van een sterke benzinelucht. De bewoner zou de brandweer de toegang tot de woning weigeren. In de keuken zien de politieambtenaren een jerrycan met op de verpakking de tekst “Ethylalcohol” en een plastic fles met de tekst “Bio Ethanol”. Deze stoffen kunnen worden gebruikt voor de fabricage van verdovende middelen. Hierdoor bestond bij de politieambtenaren het vermoeden dat in de woning verdovende middelen aanwezig zijn. Vervolgens hebben zij de woning doorzocht.
3. In de woning zijn, voor zover relevant, de volgende zaken aangetroffen:
In de keuken/op het aanrecht:
  • 1 jerrycan met ongeveer 5 liter methylalcohol;
  • 1 afsluitbare jerrycan van ongeveer 20 liter met een zure vloeistof;
  • 1 niet afsluitbare kan van ongeveer 2 liter met vermoedelijk benzine;
  • 1 niet afsluitbare kan van ongeveer 3 liter vloeistof welke een base bevatte;
In een keukenkastje:
  • Wit kristalpoeder (bruto 73 gram), waarvan na forensisch onderzoek is vastgesteld dat het gaat om netto 66,8 gram procaïne (versnijdingsmiddel);
  • Wit kristalpoeder (bruto 17 gram en netto 16,2 gram) waarvan bij nader onderzoek niet kon worden vastgesteld om welke stof het gaat.
Onder een bed in de woonkamer:
- Circa 400 gummibeertjes, waarvan na forensisch onderzoek is vastgesteld dat het gaat om netto 363,2 gram MDMA.
In totaal werd 363,2 gram harddrugs (MDMA) in de woning aangetroffen. Het versnijdings-middel procaïne staat niet op lijst I of II van de Opiumwet.
3.1.
De bevindingen van het politieonderzoek zijn neergelegd in de bestuurlijke rapportage van 3 september 2025. Op 8 september 2025 heeft de politie de burgemeester verzocht een bestuurlijke maatregel te treffen. Op 11 september 2025 heeft de burgemeester verzoeker in kennis gesteld van het voornemen om de woning, in overeenstemming met het Damoclesbeleid [1] , voor zes maanden te sluiten. Verzoeker heeft op 22 september 2025 en 26 september 2025 een (aanvullende) zienswijze uitgebracht.
Waar gaat deze zaak om?
4. De burgemeester heeft het op grond van de bestuurlijke rapportage noodzakelijk geacht om de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet tijdelijk te sluiten. Naar aanleiding van de zienswijze en rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van verzoeker heeft de burgemeester besloten om, in afwijking van het voornemen en het Damoclesbeleid, te volstaan met een sluiting van twee weken (in plaats van zes maanden). Een waarschuwing of sluiting van kortere duur is volgens de burgemeester niet afdoende om het risico op recidive te verminderen of weg te nemen en verdraagt zich niet met de ernst en omvang van de aangetroffen situatie.
5. Verzoeker is het met dit besluit niet eens en wil met zijn verzoek bereiken dat hij voorlopig in de woning mag blijven wonen. Een sluiting, van welke duur ook, is volgens verzoeker niet evenredig. Verzoeker wijst daarbij op zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn drugsverslaving, en het tijdsverloop sinds de inval op 30 augustus 2025.
De burgemeester heeft toegezegd dat de woning openblijft totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan op het verzoek.
Spoedeisend belang
6. Niet is in geschil dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek. Als gevolg van de sluiting zal verzoeker, al dan niet tijdelijk, dakloos worden. Daarbij bestaat het risico dat verzoeker, die drugsverslaafd is en bekend is met een suïcidepoging, door zijn dakloosheid bij de hulpverlening uit beeld raakt en mogelijk een nieuwe suïcidepoging doet. De voorzieningenrechter zal de zaak daarom inhoudelijk beoordelen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
7. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Is de burgemeester bevoegd om te sluiten?
8. Niet in geschil is dat in de woning 363,2 gram MDMA is aangetroffen. MDMA komt voor op lijst I van de Opiumwet. De aangetroffen hoeveelheid betreft een ruime overschrijding van wat nog als een gebruikershoeveelheid wordt gedoogd. De burgemeester is daarom bevoegd om de woning te sluiten.
Mag de burgemeester tot sluiting overgaan?
9. De burgemeester is niet verplicht de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet te gebruiken. Hij dient een belangenafweging te maken bij zijn beslissing of en op welke wijze hij van die bevoegdheid gebruik maakt. De burgemeester heeft daartoe het Damoclesbeleid vastgesteld. De sluiting van de woning voor twee weken past binnen dit beleid. Dit betekent echter nog niet dat de burgemeester in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot sluiting over te gaan. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding dient te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Vervolgens moet worden beoordeeld of sluiting van de woning evenredig is. Bij toetsing aan het evenredigheidsbeginsel wordt een onderscheid gemaakt tussen de geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid van de sluiting. [2]
Is de sluiting geschikt?
10. Naar oordeel van de voorzieningenrechter is sluiting van de woning een geschikt middel om het doel te bereiken dat de burgemeester voor ogen heeft, namelijk het tegengaan van drugshandel en het (verder) voorkomen van overtredingen in of vanuit de woning, risico’s voor omwonenden weg te nemen en een signaal te geven aan drugscriminelen en buurtbewoners dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit.
11. In het geval de sluiting geschikt is dient de burgemeester wel de noodzaak van de sluiting te beoordelen.
Had de burgemeester met een minder ingrijpend middel dan sluiting moeten volstaan (noodzaak)
12. Bij beoordeling of sluiting van een woning noodzakelijk is, is de vraag aan de orde of de burgemeester, gegeven zijn bevoegdheid om bestuursdwang uit te oefenen, met een minder ingrijpend middel had kunnen en dus ook moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Een minder ingrijpend middel dan woningsluiting is het opleggen van een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing.
13. In de woning is een aanzienlijke hoeveelheid van 363,2 gram MDMA (harddrugs) aangetroffen. De burgemeester spreekt terecht van een handelshoeveelheid. Aannemelijk is dat de drugs daar aanwezig waren voor de verkoop of verstrekking vanuit de woning. Verder zijn jerrycans en kannen met diverse chemicaliën en 66,8 gram versnijdingsmiddel aangetroffen, waarvan bekend is dat deze worden gebruikt bij het vervaardigen en verwerken van verdovende middelen. De burgemeester heeft op grond hiervan mogen aannemen dat de woning een rol speelt in de keten van drugshandel. Sluiting is dan noodzakelijk om de bekendheid van de woning als drugspand weg te nemen, de ‘loop’ naar de woning eruit te halen en de kans op recidive te verkleinen. Dat doel kan niet worden bereikt met het opleggen van een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing.
Daarbij acht de voorzieningenrechter ook van belang dat de woning bij de politie in beeld is gekomen door de melding van een sterke benzinelucht en het feit dat verzoeker de brandweer, die eveneens was opgeroepen, niet binnen wilde laten. Vervolgens werden in de woning (zeer) brandbare vloeistoffen aangetroffen. Dit tast het gevoel van onveiligheid van omwonenden aan. De voorzieningenrechter acht sluiting van de woning daarom noodzakelijk en volgt verzoeker daarom niet in de stelling dat de burgemeester met een minder ingrijpend middel had moeten volstaan. Wel is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester bij de heroverweging in bezwaar in zijn onderbouwing in zoverre een duidelijker onderscheid moet maken tussen de geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid van de sluiting.
14. Tijdsverloop tussen het constateren van de overtreding en het besluit van de burgemeester om tot sluiting over te gaan, kan ertoe leiden dat sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een sluiting worden gediend. De voorzieningenrechter is in dit geval van oordeel dat de burgemeester, ondanks dat sprake is van een zeker tijdsverloop, nog steeds tot sluiting mocht overgaan om zo een signaal aan (drugs)criminelen en omwonenden af te geven. Het tijdsverloop is in dit geval ook niet onredelijk lang. De burgemeester is eerst op 8 september 2025 door de politie in kennis gesteld van de inval op 30 augustus 2025 en heeft vervolgens binnen zes weken het bestreden besluit genomen. De voorzieningenrechter acht dit nog voldoende voortvarend.
Is de sluiting evenwichtig?
15. Naast de noodzaak voor de sluiting, moet ook worden nagegaan of de sluiting evenwichtig is. Daarbij zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate waarin de drugshandel de bewoner kon worden verweten. De burgemeester moet de nadelige gevolgen van de sluiting voor de bewoner(s) van de woning afwegen tegen de doelen die hij met de sluiting wil bereiken. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. De voorzieningenrechter zal daarom bij de beoordeling van het besluit tot sluiting ook de gevolgen daarvan betrekken.
16. De burgemeester heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker verwijtbaar heeft gehandeld. Verzoeker heeft tegenover de politie verklaard dat hij een voor hem onbekende man onderdak heeft verleend in ruil voor het aflossen van een (drugs)schuld van € 500,-. Hij heeft hem ook een sleutel van de woning gegeven. Dit betekent dat verzoeker deze persoon zelf toegang tot zijn woning heeft verschaft. Daarbij is van belang dat verzoeker op 30 augustus 2025 alleen met alle spullen, waaronder de MDMA/gummibeertjes, in de woning werd aangetroffen. Dan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet geloofwaardig dat verzoeker daar geen weet van had.
17. De voorzieningenrechter volgt verzoeker verder niet in de stelling dat de burgemeester zijn persoonlijke belangen onvoldoende heeft meegewogen. De burgemeester heeft de problemen van verzoeker, waaronder zijn verslavingsproblematiek en de gevolgen bij eventuele dakloosheid, onderkend en daarin juist aanleiding gezien om de duur van de sluiting aanzienlijk te bekorten, van zes maanden naar twee weken. In wat verzoeker verder heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat de burgemeester de gevolgen van zijn besluit voor verzoeker niet goed in beeld heeft gehad. Gelet echter op de ernst van de aangetroffen situatie in de woning en de mate waarin verzoeker daarvan een verwijt kan worden gemaakt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester in dit geval het belang van de openbare orde en veiligheid zwaarder heeft mogen laten wegen dan het persoonlijk belang van verzoeker.
18. De afwijzing van het verzoek betekent dat de burgemeester de woning mag sluiten en dat verzoeker mogelijk op straat komt te staan. De voorzieningenrechter weegt dit mee in de beoordeling van het verzoek. De gemachtigde van de burgemeester heeft echter op de zitting gezegd dat verzoeker zich bij de winteropvang mag melden. De voorzieningenrechter weegt daarom ook mee dat een verblijf van twee weken in die opvang voor verzoeker, ondanks zijn verslavingsproblematiek, nog overzienbaar is.
19. De gemachtigden van Woonplus hebben op de zitting meegedeeld dat de huurovereenkomst inmiddels is ontbonden. Dit betekent dat verzoeker na ommekomst van de sluitingstermijn niet naar de woning kan terugkeren. De burgemeester heeft dit nadelige gevolg van de sluiting echter voldoende meegewogen in zijn besluit en heeft hieraan geen doorslaggevend gewicht hoeven toekennen. De ontbinding van de huurovereenkomst is immers niet (langer) afhankelijk van de beslissing van de burgemeester (of van deze uitspraak). Woonplus heeft op de zitting in dat verband bevestigd ook in de overige omstandigheden (er zijn diverse andere incidenten geregistreerd over verzoeker en zijn woning) al voldoende reden te hebben gezien om de huurovereenkomst te ontbinden. Dit heeft de burgemeester daarom niet tot een ander besluit hoeven leiden.

Conclusie en gevolgen

20. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dit betekent dat de burgemeester de woning mag sluiten. Wel ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bepalen dat de sluiting pas ingaat op maandag 3 november 2025, zodat verzoeker de tijd krijgt om andere woonruimte te zoeken. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
21. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
  • bepaalt dat de woning mag worden gesloten vanaf 3 november 2025.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2025 door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier.
De voorzieningenrechter is verhinderd te tekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Damoclesbeleid Gemeente Schiedam 2020.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922