ECLI:NL:RBROT:2025:13225

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 november 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
ROT 25/8302
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening inzake uitschrijving uit de Basisregistratie Personen

Op 17 november 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende een verzoek om een voorlopige voorziening met betrekking tot de uitschrijving van verzoeker uit de Basisregistratie Personen (brp). Verzoeker, die zich niet kon vinden in de uitschrijving, heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, dat hem per 11 juni 2025 uit de brp had geschrapt. De voorzieningenrechter oordeelde dat het belang van verzoeker op dit moment zwaarder weegt dan dat van het college, vooral omdat er verschillende stukken ontbraken die ter onderbouwing van de uitschrijving nodig waren. De voorzieningenrechter heeft het verzoek toegewezen en de uitschrijving geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Dit betekent dat verzoeker weer op het adres zal worden ingeschreven in de brp met terugwerkende kracht tot 11 juni 2025. Tevens is het college veroordeeld tot het vergoeden van het griffierecht en de proceskosten van verzoeker, die in totaal € 1.814,- bedragen. De uitspraak benadrukt het belang van een correcte registratie in de brp en de verantwoordelijkheden van het college om voldoende bewijs te leveren voor een uitschrijving.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/8302

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 november 2025 in de zaak tussen

[naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. S. Duinhouwer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de uitschrijving van verzoeker uit de Basisregistratie Personen (brp). Verzoeker is het niet met de uitschrijving eens. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat op dit moment het belang van verzoeker zwaarder weegt dan het belang van het college. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat verschillende stukken die ter onderbouwing van de uitschrijving moeten dienen nog ontbreken in het dossier. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2025 heeft het college verzoeker per 11 juni 2025 uitgeschreven uit de brp. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat het in deze zaak om?
3. Verzoeker heeft ingeschreven gestaan op het adres [adres] te Rotterdam (het adres). Sinds 18 april 2025 staan de adresgegevens van verzoeker in onderzoek, naar aanleiding van een signaal van de balie dat er een aangifte door een nieuwe bewoner is gedaan voor het adres. Verzoeker zou met onbekende bestemming zijn vertrokken. Op onder andere 4 juni 2025 hebben toezichthouders van de gemeente een huisbezoek afgelegd op het adres. Bij dit huisbezoek is niet verzoeker aangetroffen, maar de heer [persoon A] . Hij heeft verklaard dat hij samen met nog een ander in de woning woont en dat verzoeker niet langer woonachtig is op het adres. Hij heeft verder verklaard dat hij € 750,- per maand overmaakt naar de vader van verzoeker en hij heeft daarvan een afschrift laten zien aan de toezichthouders. De toezichthouders hebben geconstateerd dat in de woning geen ruimte meer is voor verzoeker (en mevrouw [persoon B] ).
4. Met de brief van 11 juni 2025 is aan verzoeker gevraagd om zijn huidige adres door te geven, omdat het vermoeden bestaat dat verzoeker niet langer woont op het adres. Verzoeker heeft op 13 juni 2025 aan het college doorgegeven dat hij nog steeds woont op het adres. Het college heeft in de daarop volgende periode meerdere keren een huisbezoek verricht waarbij verzoeker telkens niet is aangetroffen. Verzoeker heeft op 29 augustus 2025 en 2 september 2025 aangegeven dat hij van 10 juli 2025 tot 10 september 2025 op vakantie was. Het college heeft ook na deze datum huisbezoeken afgelegd, waarbij verzoeker niet is aangetroffen. Het college is daarop overgegaan tot de uitschrijving van verzoeker uit de brp, omdat uit onderzoek is gebleken dat het college niet weet waar verzoeker woont.
Standpunt verzoeker
5. Verzoeker is het niet eens met de uitschrijving uit de brp, omdat hij nog steeds woont op het adres. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat hij weer wordt ingeschreven op het adres.
6. Verzoeker heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat het college bij het huisbezoek van 4 juni 2025 de aanname heeft gedaan dat er geen persoonlijke spullen van verzoeker in de woning zijn aangetroffen. Het college heeft geen objectief bewijs geleverd dat er geen spullen van verzoeker in de woning aanwezig waren. De fotorapportage bij het rapport ontbreekt, als ook een inventarisatie van de aangetroffen spullen. Daar komt bij dat tijdens het huisbezoek een medewerker van de gemeente als tolk heeft gefungeerd. De verklaring van de heer [persoon A] is dus verkregen via een niet-geautoriseerde vertaler, waardoor getwijfeld kan worden aan de betrouwbaarheid van het rapport. Ook ontbreken in het dossier de stukken over het confrontatiegesprek dat op 8 juli 2025 heeft plaatsgevonden en heeft het college onvoldoende hoor en wederhoor toegepast. Verder is sprake van een onjuiste weergave van de aanleiding van het adresonderzoek. Het college heeft bij de aanleiding van het adresonderzoek al genoemd dat verzoeker met onbekende bestemming zou zijn vertrokken. De rapportage wekt daardoor de indruk dat het college al voor het adresonderzoek ervan uitging dat verzoeker was vertrokken.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
7. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor niet kan worden gewacht op de beslissing op het bezwaar of het beroep. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang is, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
8. Verzoeker heeft door de uitschrijving uit de brp geen toegang tot essentiële voorzieningen zoals een zorgverzekering, toeslagen en gemeentelijke ondersteuning. Ook ontvangt verzoeker een uitkering van het UWV, waarvoor een inschrijving in de brp noodzakelijk is. De voorzieningenrechter ziet in deze omstandigheden een voldoende spoedeisend belang.
Wat zijn de toepasselijke regels?
9. Het doel van de brp is dat de daarin vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn. Gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat deze gegevens in principe juist zijn. In de brp moeten daarom dus gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene worden geregistreerd. [1] In artikel 2.22, eerste lid, van de Wet basisregistratie personen is bepaald wanneer het college iemand ambtshalve uitschrijft als ingezetene uit de brp. Er moet voldaan zijn aan drie voorwaarden:
1) de ingezetene kan niet worden bereikt (op het brp-adres);
2) er is geen aangifte van wijziging van adres of van vertrek ontvangen; en
3) na gedegen onderzoek zijn geen (andere) verblijf- en adresgegevens van die persoon bekend geworden.
Wat vindt de voorzieningenrechter van de zaak?
10. De voorzieningenrechter constateert allereerst dat in de stukken wordt verwezen naar een fotoreportage van het huisbezoek van 4 juni 2025, maar dat deze fotoreportage zich niet in het dossier bevindt. Ook een onderbouwing voor de getoonde overschrijving van een bedrag van € 750,- aan huur aan de vader van verzoeker ontbreekt. Daarnaast ontbreekt in het dossier de aanleiding voor, en een weergave van, het confrontatiegesprek van 8 juli 2025 tussen verzoeker en Hef Wonen. Volgens een notitie in het dossier heeft het college bij het gesprek aangesloten en zou een verslag aan het dossier worden toegevoegd. Verzoeker heeft op de zitting verklaard dat hij aanwezig was bij dit gesprek en op de foto’s die bij dit gesprek werden getoond heeft gezien dat daarop duidelijk te zien is dat zich in een van de kamers een extra matras bevindt. Dit zou volgens verzoeker zijn standpunt ondersteunen dat de heer [persoon A] tijdelijk op het adres logeerde en dat er wel degelijk ook slaapplek voor verzoeker was. Ook bestaat er tussen partijen onduidelijkheid of de woning van verzoeker twee of drie slaapkamers telt.
11. Doordat verschillende stukken in het dossier ontbreken, kan de voorzieningenrechter onvoldoende controleren of het college naar aanleiding van het adresonderzoek de conclusie kon trekken dat verzoeker niet langer op het adres woont. De voorzieningenrechter acht het daarbij van belang dat het besluit tot uitschrijving van een persoon uit de brp een belastend besluit is waarbij het aan het college is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Hoewel het college in de bezwaarfase de relevante stukken nog verder kan aanvullen, ziet de voorzieningenrechter op dit moment aanleiding om op basis van een belangenafweging het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen. Het college plaatst het belang van een juist en correct brp voorop. Daartegenover staat het belang van verzoeker dat hij staat ingeschreven in de brp. Zonder een inschrijving in de brp kan verzoeker problemen krijgen met zijn uitkering en met de woningbouwvereniging. Ter zitting is in dit verband toegelicht dat verzoeker afhankelijk is van een Wajong-uitkering. Gelet op de ontbrekende stukken in het dossier en de onduidelijkheden die op dit moment bestaan, weegt het belang van verzoeker op dit moment zwaarder dan het belang van het college. De voorzieningenrechter acht het daarbij mede van belang dat verzoeker al op 11 juni 2025 heeft verklaard dat hij samen met nog twee andere mannen op het adres woont. Dit strookt met zijn verklaring dat de heer [persoon A] tijdelijk op het adres logeerde. Ook is bij het ontbreken van een fotoreportage vooralsnog niet met zekerheid vast komen te staan dat zich in de woning geen spullen van verzoeker bevonden en/of dat er geen slaapplaatsen waren voor drie personen.
12. De voorzieningenrechter wenst daarbij wel te benadrukken dat het ook op de weg van verzoeker ligt om met stukken te onderbouwen dat hij wel op het adres woont. Vast staat namelijk dat verzoeker bij geen enkel huisbezoek dat heeft plaatsgevonden tussen mei en september 2025 op het adres is aangetroffen, ook niet op de momenten dat hij had aangegeven dat hij op het adres zou zijn. Van verzoeker mag daarom worden verwacht dat hij in de bezwaarfase zijn standpunt nader onderbouwt.

Conclusie en gevolgen

13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Dat betekent dat verzoeker weer op het adres zal worden ingeschreven in de brp met ingang van 11 juni 2025.
14. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Ook krijgt verzoeker een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1658.