ECLI:NL:RBROT:2025:13396

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 november 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
ROT 22/1753
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetalingsverplichting lening inburgeringstraject en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn

In deze uitspraak van de Rechtbank Rotterdam, gedateerd 17 november 2025, wordt het beroep van eiseres, de staatssecretaris van Participatie en Integratie, behandeld. Eiseres had een lening van € 6.450,- ontvangen voor haar inburgeringstraject, maar de staatssecretaris had eerder besloten dat deze lening terugbetaald moest worden. Echter, op 8 september 2025 heeft de staatssecretaris een nieuw besluit genomen waarin de terugbetalingsverplichting is komen te vervallen, waarmee volledig tegemoet is gekomen aan het beroep van eiseres. De rechtbank oordeelt dat eiseres geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep, aangezien er geen geschil meer is over het besluit van de staatssecretaris. Het beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft daarnaast een verzoek ingediend voor schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de procedure, na aftrek van een prejudiciële procedure, in totaal 4 jaar en 6 maanden heeft geduurd, wat 2 jaar en 6 maanden langer is dan de redelijke termijn van 2 jaar. Eiseres heeft recht op een schadevergoeding van € 2.500,-, waarbij de staatssecretaris en de Staat der Nederlanden naar evenredigheid moeten vergoeden. De rechtbank bepaalt verder dat de staatssecretaris het griffierecht van € 50,- en de proceskosten van € 1.814,- aan eiseres moet vergoeden. De uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, en is openbaar uitgesproken op 17 november 2025.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/1753

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres], uit Dordrecht, eiseres
(gemachtigde: mr. Z.M. Nasir),
en

de staatssecretaris van Participatie en Integratie, staatssecretaris

(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber),
en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de staatssecretaris waarin is besloten dat eiseres de lening moet terugbetalen. De staatssecretaris heeft een nieuw besluit genomen waarin is besloten dat de terugbetalingsverplichting is komen te vervallen. Hiermee is volledig tegemoet gekomen aan het beroep van eiseres. Eiseres doet een beroep op de redelijke termijn en vraagt om een vergoeding.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling en dat de redelijke termijn is overschreden
.Het beroep van eiseres is dus niet-ontvankelijk en zij krijgt een vergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met een besluit van 19 november 2019 is besloten dat eiseres de lening van € 6.450,- moet terugbetalen. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 2 april 2020 niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen dit besluit is bij uitspraak van deze rechtbank van 7 februari 2022 [1] vernietigd. Met een besluit van 25 februari 2022 op het bezwaar van eiseres heeft de staatssecretaris het bezwaar opnieuw niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De staatssecretaris heeft op 8 september 2025 een nieuw besluit genomen waarin het bestreden besluit wordt ingetrokken en is besloten de terugbetalingsverplichting te laten vervallen.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van eiseres.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft eiseres nog procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep?
3. De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep. Tussen partijen is niet in geschil dat de staatssecretaris volledig is tegemoetgekomen aan het beroep van eiseres. De terugbetalingsverplichting is komen te vervallen. Daarmee is er niet langer sprake van een geschil met betrekking tot een besluit van een bestuursorgaan. De procedure kan niet meer tot een voor eiseres gunstiger resultaat leiden. Het beroep dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaart.
Heeft eiseres recht op een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn?
4. Eiseres heeft op 3 oktober 2025 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het geschil beslecht had moeten zijn.
4.1.
Vanaf de ontvangst van het (pro-forma) bezwaarschrift op 5 december 2019 tot aan de datum van het tegemoetkomende besluit van 8 september 2025 is 5 jaar en 10 maanden verstreken. De periode van 1 jaar en 4 maanden die gemoeid is geweest met het afwachten van de prejudiciële procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 juli 2025, gerekend vanaf het moment van aanhouding van de zaak van eiseres per 13 maart 2024, blijft buiten beschouwing. De procedure, heeft, na aftrek van 1 jaar en 4 maanden, in ieder geval in totaal 4 jaar en 6 maanden geduurd. De termijn van 2 jaar is dus met 2 jaar en 6 maanden overschreden. Dit betekent dat eiseres recht heeft op een vergoeding van € 2.500,-.
4.2.
In zaken met een judiciële lus waarin een besluit na een eerdere vernietiging opnieuw aan de rechter wordt voorgelegd wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan. Dit is slechts anders als in de rechterlijke fases de redelijke behandelingsduur is overschreden. [2] Dat is hier het geval waarin de termijn, rekening houdend met aftrek wegens de prejudiciële procedure, werd overschreden met 29 maanden. De overschrijding in de eerste en de tweede bestuurlijke fasen tezamen bedroeg 1 maand. Nu de overschrijding aan zowel de minister als de rechtbank is toe te rekenen, wordt de vergoeding naar evenredigheid uitgesproken. De staatssecretaris moet daarom 1/30e deel vergoeden en de Staat der Nederlanden 29/30e deel.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris moet wel het griffierecht aan eiseres vergoeden. Dit omdat de staatssecretaris tegemoet is gekomen aan het beroep. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt de staatssecretaris en de Staat der Nederlanden tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding van € 2.500,- (€ 2.416,66 te voldoen door de staatssecretaris en € 83,34 te voldoen door de Staat der Nederlanden);
- bepaalt dat de staatssecretaris het griffierecht van € 50,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 1.814- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2025.
De rechter is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.ECLI:NL:RVS:2025:1471, r.o. 5.4 en 5.5