In deze zaak vordert de zoon van een 93-jarige huurster medehuurderschap van de woning die door de moeder wordt gehuurd van Stichting Havensteder. De zoon heeft van 1969 tot 1991 bij zijn moeder gewoond, is daarna zelfstandig gaan wonen en is in 2019 weer bij haar ingetrokken. Zij wensen zekerheid dat de zoon in de woning kan blijven wonen na het overlijden van de moeder.
Havensteder wijst het verzoek af omdat zij meent dat er geen sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen ouder en kind, en dat de zoon onvoldoende financiële waarborg biedt voor de nakoming van de huurovereenkomst. De kantonrechter oordeelt echter dat er wel sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, gelet op de gezamenlijke huishouding, wederkerigheid, en de zorg die de zoon aan zijn moeder verleent.
Verder is vastgesteld dat het verzoek niet louter een opzetje is om het medehuurderschap te verkrijgen en dat de zoon financieel in staat is de huur te voldoen, mede door een hogere uitkering en toeslagen na het overlijden van zijn moeder. De kantonrechter wijst het verzoek toe, veroordeelt Havensteder in de proceskosten en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.