3.4.Kinderbijdrage
3.4.1.De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderbijdrage) van € 732,- per maand vast te stellen.
3.4.2.De man voert gemotiveerd verweer.
3.4.3.Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3.4.4.De rechtbank zal eerst het eigen aandeel van partijen in de kosten van [minderjarige] (hierna: de behoefte van [minderjarige] ) bepalen aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen. Partijen zijn het uiteindelijk eens om uit te gaan van de inkomens in 2023. [minderjarige] is weliswaar begin 2023 geboren en partijen zijn kort daarna uit elkaar gegaan, maar na de geboorte is de vrouw minder gaan werken waardoor haar inkomen uit 2022 niet maatgevend is. Gerekend wordt met de tarieven 2023-1.
3.4.5.Tussen partijen staat vast dat de man in 2023 een inkomen uit loondienst had van € 47.017,- (productie 2 van de man). De man stelt vervolgens dat zijn inkomen uit onderneming in 2023 negatief was. Hij verwijst daartoe naar productie 4 waaruit inderdaad een negatief resultaat blijkt. Geen van partijen geeft enige indicatie van de omzet of winst in voorgaande jaren. De door de vrouw overgelegde facturen uit 2022 zijn daartoe onvoldoende. Gelet op het voorgaande en omdat de man in 2023 nog een dienstverband had, zal de rechtbank alleen uitgaan van zijn inkomen uit loondienst en niet daarnaast ook nog van winst uit onderneming.
3.4.6.De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de als bijlage 1 in deze beschikking opgenomen berekening) het netto besteedbaar inkomen van de man over het jaar 2023 op € 2.973,- per maand. De algemene heffingskorting en de arbeidskorting zijn in aanmerking genomen.
3.4.7.Partijen zijn het eens om voor het inkomen van de vrouw uit te gaan van een bedrag van € 24.724,- dat volgt uit het jaarloon LH BT op de salarisspecificatie over de maand januari 2024 (productie 26). Aan de hand van dit inkomen bepaalt de rechtbank (onder verwijzing naar de als bijlage 2 in deze beschikking opgenomen berekening) het netto besteedbaar inkomen van de vrouw over het jaar 2023 op € 2.060,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
3.4.8.De rechtbank becijfert het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen aldus op € 5.033,- per maand. Dit netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen levert op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen, die is opgenomen als bijlage bij het Rapport Alimentatienormen, een bedrag op van € 715,- per maand. Geïndexeerd naar 2025 levert dat op een bedrag van € 809,- per maand, zodat de behoefte van [minderjarige] wordt vastgesteld op laatstgenoemd bedrag.
3.4.9.Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van [minderjarige] tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht. Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden. Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2025-2 uit voornoemd rapport.
3.4.10.Het huidige inkomen van de man is in geschil. De man stelt dat zijn dienstverband met ingang van 1 juli 2025 is beëindigd en dat hij sindsdien als zelfstandige werkzaam is in de betonbouw. Voor het bepalen van zijn draagkracht moet volgens de man uitgegaan worden van een verwachte winst uit onderneming van € 25.000,-. De man heeft de vaststellingsovereenkomst van 18 maart 2025 niet in het geding gebracht. Hij legt alleen de brief van zijn voormalig werkgever (het IJsselland ziekenhuis) over waarin wordt verwezen naar die vaststellingsovereenkomst. Tijdens de mondelinge behandeling geeft de man aan dat hij het niet langer verantwoord vond om zijn werk als verpleegkundige voor te zetten. Op het moment van uitdiensttreding was hij niet langer ziek. Omdat er geen passend vervangend werk werd gevonden, is de arbeidsovereenkomst in overleg beëindigd. Hierdoor heeft hij ook meer ruimte om naar de afspraken van de hulpverlening te gaan. De rechtbank is onvoldoende geïnformeerd om te beoordelen of de man verwijtbaar of vermijdbaar zijn vaste dienstverband is kwijtgeraakt. Dit moet voor zijn rekening en risico van de man blijven. Tijdens de mondelinge behandeling onderbouwt de man hoe hij de verwachte winst heeft becijferd. Dit alles berust echter op een schatting. Gezien het vorenstaande acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van een verdiencapaciteit gelijk aan de voorgaande jaren met daarbij enige indexering. In 2023 had de man een inkomen uit dienstverband van € 47.017,- en in 2024 van € 50.960,-. Met de vrouw acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van een inkomen over 2025 van € 54.000,-.
3.4.11.De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de als bijlage 3 in deze beschikking opgenomen berekening) het netto besteedbaar inkomen van de man over het jaar 2025 aan de hand van een inkomen van € 54.000,-, op € 3.395,- per maand. De algemene heffingskorting en de arbeidskorting zijn in aanmerking genomen.
3.4.12.Ook het inkomen van de vrouw is in geschil. De vrouw stelt dat uitgegaan moet worden van haar feitelijke inkomen zoals dat volgt uit de als productie 41 overgelegde loonspecificaties, te weten € 1.428,05 bruto per maand te vermeerderen met vakantietoeslag en eindejaarsuitkering. De man voert aan dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft die zij dient te benutten. Er moet volgens de man dan ook geen rekening worden gehouden met haar onbetaalde verlof (een inhouding van € 709,03 bruto per maand) en in plaats van 0,6 fte moet de vrouw in staat worden geacht om 0,8 fte te werken.
3.4.13.Uit de door de vrouw overgelegde loonspecificaties volgt dat de vrouw een deeltijdfactor heeft van 0,6 fte en dat zij daarmee een bruto maandsalaris heeft van € 2.127,08. Op dit moment neemt de vrouw nog ouderschapsverlof op van € 709,03 (0,2 fte). De vrouw werkt op dit moment feitelijk dus twee dagen maar heeft een dienstverband van drie dagen. Met de man is de rechtbank van oordeel dat van de vrouw verwacht kan worden meer te werken dan zij op dit moment doet en wel drie dagen per week. Ook aan de zijde van de man wordt immers geen rekening gehouden met de omstandigheid dat er afspraken zijn bij de hulpverlening, die tijd kosten. Daarbij komt dat de vrouw eerder zelf stelde dat haar ouderschapsverlof liep tot 24 juli 2024. In ieder geval is er een maximum verbonden aan het op te nemen ouderschapsverlof. Dat de vrouw vier dagen kan werken, acht de rechtbank niet reëel gezien de zorg voor [minderjarige] . De rechtbank zal dan ook rekenen met het salaris van de vrouw, dat zij verdient als zij drie dagen in de week werkt, van
€ 2.127,08 bruto per maand.
3.4.14.De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de als bijlage 4 in deze beschikking opgenomen berekening) het huidige NBI van de vrouw over het jaar 2025 op € 2.731,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):
- basisloon € 2.127,08
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
- eindejaarsuitkering € 2.127,08
- premie ABP € 128,63 + € 1,97 + € 101,58
- premie WIA-WGA € 2,51
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting
Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 5.900,- per jaar, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.
3.4.15.De draagkracht van partijen wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.125,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.310)] en bedraagt € 747,- per maand aan de zijde van de man en € 421,- per maand aan de zijde van de vrouw.
3.4.16.Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van [minderjarige] moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het deel van de man bedraagt: € 747 / € 1.168 x € 809 = € 517
het deel van de vrouw bedraagt: € 421 / € 1.168 x € 809 = € 292 +
samen € 809
Van de totale behoefte van [minderjarige] komt dus een gedeelte van € 517,- per maand voor rekening van de man.
3.4.17.De zorgkorting bedraagt in beginsel minimaal 5% van de behoefte van [minderjarige] . De rechtbank ziet geen aanleiding van dit beginsel af te wijken. Op dit moment is er begeleide omgang.
3.4.18.Omdat de behoefte van [minderjarige] € 809,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 40,- per maand.
3.4.19.Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van [minderjarige] wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 477,- per maand.
3.4.20.De man doet een beroep op de aanvaardbaarheidstoets. Deze toets wordt toegepast als de onderhoudsplichtige stelt en onderbouwt dat de bijdrage, berekend op basis van zijn inkomen en vermogen en rekening houdend met een redelijk lastenpatroon, onder de gegeven omstandigheden vanwege gebrek aan draagkracht voor hem tot een onaanvaardbare uitkomst zal leiden. Het lag daarom op de weg van de man om zowel de omstandigheden als het gebrek aan draagkracht te stellen en te onderbouwen, waarbij van hem verwacht had mogen worden volledig en duidelijk – door middel van een overzicht van redelijke inkomsten en uitgaven, met onderliggende stukken – inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen. De man heeft dit niet gedaan en heeft dus niet voldaan aan zijn stelplicht. Het beroep op de aanvaardbaarheidstoets wordt daarom verworpen.
3.4.21.Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van € 477,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
3.4.22.Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
3.4.23.De vrouw verzoekt de bijdrage te bepalen met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven. De man voert hiertegen geen verweer, zodat de kinderbijdrage met ingang die datum zal worden vastgesteld. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat er nog een voorlopige bijdrage loopt.