ECLI:NL:RBROT:2025:13466

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
C/10/681183 / FA RK 24-4677 en C/10/686967 / FA RK 24-7339
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 815 lid 2 RvArt. 815 lid 6 RvArt. 3:196 BWArt. 6:228 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding en verdeling beperkte gemeenschap met dwaling over eigendom woning

Partijen zijn gehuwd sinds 20 augustus 2020 en hebben een minderjarig kind geboren in 2023. De rechtbank behandelt verzoeken tot echtscheiding en scheiding van tafel en bed, waarbij het ouderschapsplan ontbreekt maar niet tot niet-ontvankelijkheid leidt vanwege de omstandigheden.

De rechtbank constateert duurzame ontwrichting van het huwelijk en wijst beide verzoeken toe. De hoofdverblijfplaats van het kind wordt aan de vrouw toegewezen, en de zorgregeling blijft voorlopig begeleid onder toezicht van hulpinstanties vanwege ernstige conflicten en veiligheidszorgen.

De kinderbijdrage wordt vastgesteld op €477 per maand, gebaseerd op een zorgvuldige draagkrachtberekening van de inkomsten van partijen. De rechtbank wijst het beroep op de aanvaardbaarheidstoets af wegens onvoldoende onderbouwing.

Partijen zijn gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen. Over de inboedel en banksaldi is overeenstemming bereikt. De woning is privébezit van de man en valt buiten de gemeenschap; de afspraak over verdeling van overwaarde wordt vernietigd wegens dwaling. De vrouw heeft geen recht op vergoeding van investeringen in de woning.

De behandeling van de zorgregeling wordt aangehouden tot 1 augustus 2026, met een verzoek aan de raad voor de kinderbescherming om onderzoek en advies uit te brengen.

Uitkomst: De rechtbank spreekt echtscheiding en scheiding van tafel en bed uit, wijst de hoofdverblijfplaats toe aan de vrouw, stelt de kinderbijdrage vast op €477 per maand en vernietigt de afspraak over de woningoverwaarde wegens dwaling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
zaaknummers / rekestnummers: C/10/681183 / FA RK 24-4677 (scheiding)
C/10/686967 / FA RK 24-7339 (verdeling)
Beschikking van 11 november 2025 over de scheiding
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. A.J.C. van Bemmel te Rotterdam,
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. A. Schellekens te Bodegraven.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 21 juni 2024;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 3 oktober 2024;
  • het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 29 november 2024;
  • het aanvullend verweerschrift tevens houdende gewijzigde verzoeken met bijlagen van de man, ingekomen op 23 september 2025;
  • de berichten met bijlagen van de vrouw van 3 oktober 2025 en 13 oktober 2025;
  • de berichten met bijlagen van de man van 6 oktober 2025 en 13 oktober 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2025. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht, als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] .

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd te Krimpenerwaard op 20 augustus 2020.
2.2.
Het minderjarige kind van partijen is:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] .
2.3.
In de beschikking van 21 juni 2024 over voorlopige voorzieningen is opgenomen de door partijen bereikte overeenstemming, te weten:
  • [minderjarige] wordt aan de vrouw toevertrouwd;
  • het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning komt aan de vrouw toe;
  • de man voldoet met ingang van 1 april 2024 € 650,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] ;
  • de vrouw voldoet per 1 april 2024 € 175,- per maand aan hypotheekaflossing;
  • de man voldoet de andere € 175,- per maand aan hypotheekaflossing, de hypotheekrente en alle gebruikerslasten;
  • bij levering van de woning aan de man of een derde wordt de overwaarde van de woning bij helfte tussen partijen gedeeld, inclusief de waarde van de opbouw van de polis;
  • vanaf 1 april 2024 komt de man de hypotheekrente aftrek toe;
  • de vrouw ziet af van aanspraak op een gebruikersvergoeding.
2.4.
Daarnaast zijn partijen verwezen naar het hulpverleningstraject omgangsbegeleiding.
2.5.
In de beschikking van 3 februari 2025 over voorlopige voorzieningen is opgenomen de door partijen bereikte overeenstemming, te weten dat partijen zich volledig zullen inzetten bij Humanitas en Agathos en dat zij beiden de adviezen rondom de omgang tussen de man en [minderjarige] opvolgen.

3.De beoordeling

3.1.
Scheiding
3.1.1.
De vrouw verzoekt de scheiding van tafel en bed tussen partijen uit te spreken. De man verzocht aanvankelijk eveneens de scheiding van tafel en bed tussen partijen uit te spreken, maar heeft zijn verzoek gewijzigd in die zin dat hij nu verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken.
3.1.2.
Op grond van artikel 815 lid 2 Rv Pro, voor zover hier van belang, moet zowel een verzoekschrift tot scheiding van tafel en bed als een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot scheiding van tafel en bed of een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft daarom de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot scheiding van tafel en bed of in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv Pro).
3.1.3.
Partijen hebben geen ouderschapsplan overgelegd. Zij hebben echter voldoende gemotiveerd dat het voor hen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank ontvangt de partijen daarom in hun verzoeken.
3.1.4.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van een duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen. Omdat de duurzame ontwrichting vaststaat, kunnen de bezwaren van de vrouw tegen de echtscheiding en de bezwaren van de man tegen de scheiding van tafel en bed, niet in de weg staan aan het uitspreken daarvan. Beide verzoeken hebben namelijk de duurzame ontwrichting als grondslag. Met de vaststelling dat sprake is van een duurzame ontwrichting, geeft de rechtbank overigens geen oordeel over de oorzaak of oorzaken van die ontwrichting.
3.1.5.
De rechtbank zal beide verzoeken toewijzen. Geen rechtsregel staat in de weg aan het gelijktijdig uitspreken van de scheiding van tafel en bed en de echtscheiding (Hoge Raad d.d. 9 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6158). Ingeval de scheiding van tafel en bed (door inschrijving van de beschikking in het huwelijksgoederenregister) eerder tot stand komt dan de echtscheiding (door de inschrijving van de beschikking in het register van de burgerlijke stand), zullen partijen van tafel en bed gescheiden zijn met alle daaraan door de wet verbonden gevolgen. Vindt ook (eventueel daaropvolgend) de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking plaats, dan eindigt het huwelijk en heeft de uitgesproken scheiding van tafel en bed geen betekenis meer.
3.2.
Verblijfplaats
3.2.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar zal zijn.
3.2.2.
De man verweert zich niet tegen dit verzoek.
3.2.3.
De rechtbank beslist volgens het verzoek, omdat dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond. Niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich hiertegen verzet.
3.3.
Zorgregeling
3.3.1.
De man verzoekt een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen beginnend met eenmaal per week twee uur op woensdagmiddag voor of na het slaapje van [minderjarige] in het bijzijn van de zus van de man die [minderjarige] kan ophalen en terugbrengen bij de vrouw of de ouders van de vrouw en daarbij een stapsgewijze opbouw van de zorgregeling vast te stellen die resulteert in een gelijkwaardige zorgverdeling binnen een jaar. Later heeft de man zijn verzoek nog aangevuld met de voorwaardelijke verzoeken een raadsonderzoek te gelasten en hangende dit onderzoek een voorlopige zorgregeling vast te stellen.
3.3.2.
Op dit moment is er contact tussen de man en [minderjarige] onder begeleiding van BOR Humanitas Midden-Holland. Dit contact vindt plaats om de week en staat in ieder geval nog gepland tot eind 2025. Daarnaast zijn partijen gestart met het traject Parallel Solo Ouderschap bij Agathos. Door de verhuizing van de vrouw naar een andere regio loopt de hulpverlening niet meer via het Uniform Hulpaanbod en komt er ook geen terugkoppeling naar de rechtbank van dit Uniform Hulpaanbod. Het voorwaardelijk bepaalde raadsonderzoek (in de beschikking van 21 juni 2024) zal dus ook niet plaatsvinden.
3.3.3.
De vrouw voert aan dat, gelet op het fysieke geweld jegens haar door de man tijdens het huwelijk, op dit moment alleen nog de begeleide omgang mogelijk is bij BOR Humanitas. Zij heeft grote zorgen over de veiligheid van [minderjarige] . De resultaten van de hulpverlening moeten worden afgewacht voordat een beslissing kan worden genomen over de zorgregeling. De voorgestelde begeleiding door de zus van de man geeft de vrouw onvoldoende waarborgen.
3.3.4.
Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is gezegd, blijkt voldoende dat partijen ernstig gebrouilleerd zijn, niet alleen over de invulling van de zorgregeling maar ook over tal van andere onderwerpen. Daarnaast zijn de verwijten over en weer niet alleen talrijk, maar ook ernstig. Beide partijen stellen dat de veiligheid van [minderjarige] bij de ander niet is gegarandeerd. Daarnaast is gebleken dat bij elk van partijen in meer of mindere mate sprake is van eigen problematiek en dat derden, weliswaar met de beste bedoelingen maar niet altijd met een ter zake doende professionele achtergrond, zich met de scheiding bemoeien of hebben bemoeid. Het is de rechtbank niet gebleken dat de hulpverlening onder deze omstandigheden de beslissing kan nemen dan wel de rechtbank kan adviseren of en wanneer onbegeleid contact veilig en onbelast kan plaatsvinden. Daarom acht de rechtbank een onderzoek door de raad noodzakelijk. Om deze reden zal de behandeling ten aanzien van de zorgregeling worden aangehouden en zal de raad worden verzocht te rapporteren.
3.3.5.
De rechtbank begrijpt de wens van de man om hangende dit raadsonderzoek de huidige zorgregeling uit te breiden. De rechtbank ziet daartoe op dit moment echter geen mogelijkheden, gelet op het onder rechtsoverweging 3.3.4. gestelde. Wel rust op partijen de verplichting deel te blijven nemen aan de begeleide contacten bij BOR Humanitas en het traject Parallel Solo Ouderschap bij Agathos, zolang deze instanties dat in het belang van de minderjarige achten, zodat zij een weg vinden om met elkaar te communiceren over [minderjarige] en op enig moment in staat zijn afspraken te maken over een zorgregeling.
3.4.
Kinderbijdrage
3.4.1.
De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderbijdrage) van € 732,- per maand vast te stellen.
3.4.2.
De man voert gemotiveerd verweer.
3.4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
De behoefte
3.4.4.
De rechtbank zal eerst het eigen aandeel van partijen in de kosten van [minderjarige] (hierna: de behoefte van [minderjarige] ) bepalen aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen. Partijen zijn het uiteindelijk eens om uit te gaan van de inkomens in 2023. [minderjarige] is weliswaar begin 2023 geboren en partijen zijn kort daarna uit elkaar gegaan, maar na de geboorte is de vrouw minder gaan werken waardoor haar inkomen uit 2022 niet maatgevend is. Gerekend wordt met de tarieven 2023-1.
3.4.5.
Tussen partijen staat vast dat de man in 2023 een inkomen uit loondienst had van € 47.017,- (productie 2 van de man). De man stelt vervolgens dat zijn inkomen uit onderneming in 2023 negatief was. Hij verwijst daartoe naar productie 4 waaruit inderdaad een negatief resultaat blijkt. Geen van partijen geeft enige indicatie van de omzet of winst in voorgaande jaren. De door de vrouw overgelegde facturen uit 2022 zijn daartoe onvoldoende. Gelet op het voorgaande en omdat de man in 2023 nog een dienstverband had, zal de rechtbank alleen uitgaan van zijn inkomen uit loondienst en niet daarnaast ook nog van winst uit onderneming.
3.4.6.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de als bijlage 1 in deze beschikking opgenomen berekening) het netto besteedbaar inkomen van de man over het jaar 2023 op € 2.973,- per maand. De algemene heffingskorting en de arbeidskorting zijn in aanmerking genomen.
3.4.7.
Partijen zijn het eens om voor het inkomen van de vrouw uit te gaan van een bedrag van € 24.724,- dat volgt uit het jaarloon LH BT op de salarisspecificatie over de maand januari 2024 (productie 26). Aan de hand van dit inkomen bepaalt de rechtbank (onder verwijzing naar de als bijlage 2 in deze beschikking opgenomen berekening) het netto besteedbaar inkomen van de vrouw over het jaar 2023 op € 2.060,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
3.4.8.
De rechtbank becijfert het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen aldus op € 5.033,- per maand. Dit netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen levert op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen, die is opgenomen als bijlage bij het Rapport Alimentatienormen, een bedrag op van € 715,- per maand. Geïndexeerd naar 2025 levert dat op een bedrag van € 809,- per maand, zodat de behoefte van [minderjarige] wordt vastgesteld op laatstgenoemd bedrag.
Draagkrachtberekening
3.4.9.
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van [minderjarige] tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht. Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden. Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2025-2 uit voornoemd rapport.
3.4.10.
Het huidige inkomen van de man is in geschil. De man stelt dat zijn dienstverband met ingang van 1 juli 2025 is beëindigd en dat hij sindsdien als zelfstandige werkzaam is in de betonbouw. Voor het bepalen van zijn draagkracht moet volgens de man uitgegaan worden van een verwachte winst uit onderneming van € 25.000,-. De man heeft de vaststellingsovereenkomst van 18 maart 2025 niet in het geding gebracht. Hij legt alleen de brief van zijn voormalig werkgever (het IJsselland ziekenhuis) over waarin wordt verwezen naar die vaststellingsovereenkomst. Tijdens de mondelinge behandeling geeft de man aan dat hij het niet langer verantwoord vond om zijn werk als verpleegkundige voor te zetten. Op het moment van uitdiensttreding was hij niet langer ziek. Omdat er geen passend vervangend werk werd gevonden, is de arbeidsovereenkomst in overleg beëindigd. Hierdoor heeft hij ook meer ruimte om naar de afspraken van de hulpverlening te gaan. De rechtbank is onvoldoende geïnformeerd om te beoordelen of de man verwijtbaar of vermijdbaar zijn vaste dienstverband is kwijtgeraakt. Dit moet voor zijn rekening en risico van de man blijven. Tijdens de mondelinge behandeling onderbouwt de man hoe hij de verwachte winst heeft becijferd. Dit alles berust echter op een schatting. Gezien het vorenstaande acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van een verdiencapaciteit gelijk aan de voorgaande jaren met daarbij enige indexering. In 2023 had de man een inkomen uit dienstverband van € 47.017,- en in 2024 van € 50.960,-. Met de vrouw acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van een inkomen over 2025 van € 54.000,-.
3.4.11.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de als bijlage 3 in deze beschikking opgenomen berekening) het netto besteedbaar inkomen van de man over het jaar 2025 aan de hand van een inkomen van € 54.000,-, op € 3.395,- per maand. De algemene heffingskorting en de arbeidskorting zijn in aanmerking genomen.
3.4.12.
Ook het inkomen van de vrouw is in geschil. De vrouw stelt dat uitgegaan moet worden van haar feitelijke inkomen zoals dat volgt uit de als productie 41 overgelegde loonspecificaties, te weten € 1.428,05 bruto per maand te vermeerderen met vakantietoeslag en eindejaarsuitkering. De man voert aan dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft die zij dient te benutten. Er moet volgens de man dan ook geen rekening worden gehouden met haar onbetaalde verlof (een inhouding van € 709,03 bruto per maand) en in plaats van 0,6 fte moet de vrouw in staat worden geacht om 0,8 fte te werken.
3.4.13.
Uit de door de vrouw overgelegde loonspecificaties volgt dat de vrouw een deeltijdfactor heeft van 0,6 fte en dat zij daarmee een bruto maandsalaris heeft van € 2.127,08. Op dit moment neemt de vrouw nog ouderschapsverlof op van € 709,03 (0,2 fte). De vrouw werkt op dit moment feitelijk dus twee dagen maar heeft een dienstverband van drie dagen. Met de man is de rechtbank van oordeel dat van de vrouw verwacht kan worden meer te werken dan zij op dit moment doet en wel drie dagen per week. Ook aan de zijde van de man wordt immers geen rekening gehouden met de omstandigheid dat er afspraken zijn bij de hulpverlening, die tijd kosten. Daarbij komt dat de vrouw eerder zelf stelde dat haar ouderschapsverlof liep tot 24 juli 2024. In ieder geval is er een maximum verbonden aan het op te nemen ouderschapsverlof. Dat de vrouw vier dagen kan werken, acht de rechtbank niet reëel gezien de zorg voor [minderjarige] . De rechtbank zal dan ook rekenen met het salaris van de vrouw, dat zij verdient als zij drie dagen in de week werkt, van
€ 2.127,08 bruto per maand.
3.4.14.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de als bijlage 4 in deze beschikking opgenomen berekening) het huidige NBI van de vrouw over het jaar 2025 op € 2.731,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):
- basisloon € 2.127,08
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
- eindejaarsuitkering € 2.127,08
- premie ABP € 128,63 + € 1,97 + € 101,58
- premie WIA-WGA € 2,51
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting
Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 5.900,- per jaar, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.
3.4.15.
De draagkracht van partijen wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.125,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.310)] en bedraagt € 747,- per maand aan de zijde van de man en € 421,- per maand aan de zijde van de vrouw.
Draagkrachtvergelijking
3.4.16.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van [minderjarige] moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het deel van de man bedraagt: € 747 / € 1.168 x € 809 = € 517
het deel van de vrouw bedraagt: € 421 / € 1.168 x € 809 = € 292 +
samen € 809
Van de totale behoefte van [minderjarige] komt dus een gedeelte van € 517,- per maand voor rekening van de man.
Zorgkorting
3.4.17.
De zorgkorting bedraagt in beginsel minimaal 5% van de behoefte van [minderjarige] . De rechtbank ziet geen aanleiding van dit beginsel af te wijken. Op dit moment is er begeleide omgang.
3.4.18.
Omdat de behoefte van [minderjarige] € 809,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 40,- per maand.
3.4.19.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van [minderjarige] wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 477,- per maand.
Aanvaardbaarheidstoets
3.4.20.
De man doet een beroep op de aanvaardbaarheidstoets. Deze toets wordt toegepast als de onderhoudsplichtige stelt en onderbouwt dat de bijdrage, berekend op basis van zijn inkomen en vermogen en rekening houdend met een redelijk lastenpatroon, onder de gegeven omstandigheden vanwege gebrek aan draagkracht voor hem tot een onaanvaardbare uitkomst zal leiden. Het lag daarom op de weg van de man om zowel de omstandigheden als het gebrek aan draagkracht te stellen en te onderbouwen, waarbij van hem verwacht had mogen worden volledig en duidelijk – door middel van een overzicht van redelijke inkomsten en uitgaven, met onderliggende stukken – inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen. De man heeft dit niet gedaan en heeft dus niet voldaan aan zijn stelplicht. Het beroep op de aanvaardbaarheidstoets wordt daarom verworpen.
Conclusie
3.4.21.
Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van € 477,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
3.4.22.
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
3.4.23.
De vrouw verzoekt de bijdrage te bepalen met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven. De man voert hiertegen geen verweer, zodat de kinderbijdrage met ingang die datum zal worden vastgesteld. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat er nog een voorlopige bijdrage loopt.
3.5.
Verdeling
3.5.1.
Partijen zijn in een (inmiddels ontbonden) beperkte gemeenschap van goederen gehuwd.
inboedel
3.5.2.
Partijen hebben overeenstemming bereikt over de inboedel, waaronder de gemeenschappelijke inboedel en wel als volgt: de inboedel, waaronder de gemeenschappelijk inboedel, is feitelijk verdeeld. De gordijnen achter, de camera, de oplader en de SD-kaart worden toegedeeld aan de man en de droger aan de vrouw.
3.5.3.
Gezien de overeenstemming over de (gemeenschappelijke) inboedel gaat de rechtbank ervan uit dat de over en weer verzochte veroordeling tot afgifte (al dan niet op straffe van een dwangsom) niet langer worden verzocht. Voor zover nodig zal de rechtbank deze verzoeken afwijzen.
banksaldi
3.5.4.
Partijen hebben overeenstemming bereikt over de banksaldi en wel als volgt:
de toename van de banksaldi vanaf de huwelijksdatum tot de peildatum van 21 juni 2024 moet bij helfte worden verdeeld:
 de bankrekening op naam van de vrouw met nummer [rekeningnummer 1] kent een toename van € 387,26 welk bedrag bij helfte tussen partijen moet worden gedeeld;
 de bankrekening op naam van de vrouw met nummer [rekeningnummer 2] kent een afname, zodat geen bedrag moet worden gedeeld;
 de bankrekening op naam van de man met nummer [rekeningnummer 3] kent een afname, zodat geen bedrag moet worden gedeeld;
 de bankrekening op naam van de man met nummer [rekeningnummer 4] kent een toename van € 900,-, welk bedrag bij helfte tussen partijen moet worden gedeeld;
 de bankrekening op naam van de man met nummer [rekeningnummer 5] kent een toename van € 839,97, welk bedrag bij helfte tussen partijen moet worden gedeeld.
3.5.5.
Tijdens de mondelinge behandeling stelt de man nog dat in het saldo van de rekening met nummer [rekeningnummer 2] van de vrouw een schenking is begrepen. Tijdens het huwelijk hebben beide partijen een bedrag ontvangen van de ouders van de vrouw, waarvan aan hem nog een bedrag van € 8.000,- toekomt. Tegenover de betwisting van de vrouw dat dit ten tijde van het huwelijk heeft plaatsgevonden, heeft de man zijn stelling niet onderbouwd zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat.
eenmanszaak
3.5.6.
Partijen zijn het erover eens dat de eenmanszaak van de man, en datgene wat daartoe behoort, buiten de gemeenschap valt.
auto
3.5.7.
Partijen zijn het erover eens dat de auto van de vrouw buiten de gemeenschap valt.
de echtelijke woning
3.5.8.
De man verzoekt de afspraak van partijen rondom de verdeling van de overwaarde van de woning te vernietigen en voor recht te verklaren dat de woning aan [adres] privébezit van de man is en buiten de gemeenschap valt.
3.5.9.
Partijen zijn het erover eens dat de echtelijke woning voor het huwelijk door de man is aangekocht. De woning valt daarmee niet in de beperkte gemeenschap. Ditzelfde geldt voor de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening. In het kader van de voorlopige voorzieningen zijn partijen overeengekomen dat bij levering van de woning aan de man of een derde de overwaarde van de woning bij helfte tussen partijen wordt gedeeld, inclusief de waarde van de opbouw van de polis. De man roept, uiteindelijk op grond van dwaling, de vernietiging in van deze afspraak. De vrouw voert aan dat de overeenkomst tussen partijen moet worden nagekomen, zodat zij recht heeft op de helft van de overwaarde.
3.5.10.
Omdat de woning geen onderdeel is van de beperkte gemeenschap gaat het beroep van de man op artikel 3:196 BW Pro niet op. Tijdens de mondelinge behandeling past de man de grondslag van zijn verzoek aan, in die zin dat hij een beroep doet op artikel 6:228 BW Pro. Op grond van lid 1 van dat artikel is een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar:
indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten;
indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten;
indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden.
3.5.11.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van de in artikel 6:228 lid 1 sub c BW Pro bedoelde situatie. Beide partijen gingen bij het sluiten van de overeenkomst ervan uit dat de woning in de beperkte gemeenschap viel. Als partijen hadden geweten dat de woning uitsluitend eigendom was van de man, hadden zij deze afspraak nooit gemaakt. Dat de vrouw maandelijks een bedrag van € 175,- aan hypotheekaflossing voldeed, wordt door de vrouw aangevoerd als onderbouwing dat partijen de afspraak redelijk vonden. Op dat moment was dat ook redelijk, maar dit deel van de afspraak was dus ook gebaseerd op een onjuiste voorstelling van zaken. Ook het beroep van de vrouw op artikel 6:228 lid 2 BW Pro faalt. In dat artikel wordt bepaald dat de vernietiging niet kan worden gegrond op een dwaling die een uitsluitend toekomstige omstandigheid betreft of die in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende behoort te blijven. Beide partijen gingen er, zonder nader onderzoek, van uit dat de woning gemeenschappelijk eigendom was. De rechtbank zal het verzoek van de man op dit punt dan ook toewijzen.
3.5.12.
Het vorenstaande betekent, zoals door de man ook erkend, dat de vrouw de bedragen van € 175,- per maand aan hypotheekaflossingen onverschuldigd heeft betaald en dat de man het totaalbedrag van deze bijdragen (door de vrouw niet nader gespecifieerd) moet terugbetalen aan de vrouw.
3.5.13.
De voorwaardelijke verzoeken van de man ten aanzien van het vergoedingsrecht en het voortgezet gebruik, hoeven geen beoordeling en bespreken, omdat die uitgingen van de situatie dat de woning gemeenschappelijk was.
3.5.14.
Resteert ter beoordeling het verzoek van de vrouw om een vergoeding van hetgeen zij in de woning heeft geïnvesteerd, zijnde minimaal € 17.490,52. Zij specificeert haar verzoek in productie 43 en maakt daarbij onderscheid tussen uitgaven gedaan voor het huwelijk en uitgaven gedaan tijdens het huwelijk. De man voert als verweer aan dat de vrouw niet aantoont dat de betalingen tijdens het huwelijk met privévermogen zijn betaald en dat de vrouw geen grondslag aanvoert voor terugvordering van de betalingen die door haar gedaan zouden zijn voor het huwelijk.
3.5.15.
De vrouw heeft een vergoedingsrecht indien zij met privé vermogen heeft geïnvesteerd in de woning van de man. Naar het oordeel van de rechtbank heeft zij niet aangetoond dat zij de bedragen, voor zover die zijn gedaan tijdens het huwelijk, heeft voldaan met privégeld. De productie waarin deze bedragen zijn genoemd, is één dag voor de mondelinge behandeling ingebracht, zonder uitgebreide toelichting. Als onderdeel van deze productie zijn betaalbewijzen overgelegd. Daaruit blijkt dat alle betalingen door de vrouw zijn gedaan van de op haar naam staande bankrekening ( [rekeningnummer 1] ). De rechtbank kan echter niet vaststellen of het voldaan is met privégeld van de vrouw omdat de oorsprong van de gelden niet vastgesteld kan worden. Dit betreft de betaalrekening van de vrouw waarop naar haar zeggen ook haar salaris wordt gestort. Het kan geld zijn dat er op stond voor het huwelijk maar ook geld dat verworven is tijdens het huwelijk. Gezien de betwisting door de man heeft de vrouw niet aangetoond dat de uitgaven zijn gedaan van gelden die er voor het huwelijk al waren.
3.5.16.
Een deel van de door de vrouw gestelde uitgaven zijn gedaan voor het huwelijk. De man heeft gemotiveerd betwist dat die uitgaven ten goede zijn gekomen van zijn woning. Naast dat de vrouw een aantal goederen al terugkrijgt in het kader van de verdeling van de inboedel (zoals de jaloezieën en de afzuigkap) heeft zij van de overige uitgaven, gelet op de betwisting door de man, onvoldoende onderbouwd dat die ten goede zijn gekomen aan de woning. De slotsom is dat het verzoek van de vrouw haar een vergoedingsrecht toe te kennen, wordt afgewezen.
3.6.
Proceskosten
in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/681183 / FA RK 24-4677:
3.6.1.
Omdat ten aanzien van de zorgregeling nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.
in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/686967 / FA RK 24-7339:
3.6.2.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/681183 / FA RK 24-4677:
4.1.
spreekt uit de scheiding van tafel en bed tussen partijen, gehuwd op [datum] te [plaatsnaam] ;
4.2.
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [datum] te [plaatsnaam] ;
4.3.
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn;
4.4.
bepaalt dat partijen blijven deelnemen aan de begeleide contacten bij BOR Humanitas en het traject Parallel Solo Ouderschap bij Agathos zolang deze instanties dat in het belang van de minderjarige achten;
4.5.
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 477,- per maand;
4.6.
verklaart deze beschikking, tot zover, uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de scheiding van tafel en bed en de echtscheiding;
en voordat verder wordt beslist:
4.7.
bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt aangehouden tot
1 augustus 2026 PRO FORMA;
4.8.
verzoekt de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht om onderzoek of andere bemoeienis over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en tegen bedoelde datum aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
4.9.
verzoekt de griffier een afschrift van deze beschikking en van de relevante processtukken te doen toekomen aan de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht;
4.10.
bepaalt dat – zodra de rechtbank in deze zaak de verzochte rapportage heeft ontvangen – partijen in de gelegenheid zullen worden gesteld hun procedurele wensen kenbaar te maken, waarna – als nodig – de mondelinge behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een dan te bepalen datum en tijdstip;
4.11.
bepaalt dat partijen, hun advocaten en de raad voor de kinderbescherming op de genoemde pro-formadatum niet hoeven te verschijnen;
in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/686967 / FA RK 24-7339:
4.12.
gelast de wijze van verdeling van de beperkte gemeenschap zoals weergegeven onder de rechtsoverwegingen 3.5.2 en 3.5.4.;
4.13.
vernietigt de afspraak van partijen rondom de verdeling van de overwaarde van de woning en verklaart voor recht dat de woning aan [adres] privébezit van de man is en buiten de gemeenschap valt;
4.14.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.15.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.16.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Driel, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. E.L. Visser, griffier, op 11 november 2025.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.