Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, verzocht om overname van haar private schuld aan de Rabobank. Verweerder weigerde deze aanvraag omdat deze te laat zou zijn ingediend op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De rechtbank oordeelt dat de aanvraag wel tijdig is gedaan omdat de eerste beschikking tot toekenning van compensatie op 9 mei 2023 nog niet onherroepelijk was toen de aanvraag op 2 augustus 2024 werd ingediend.
De rechtbank benadrukt dat de eerdere forfaitaire toekenning van € 30.000,- uit 2021 (lichte toets) niet gelijkstaat aan een onherroepelijke eerste beschikking tot compensatie zoals bedoeld in artikel 6.1 lid 4 Wht. Hierdoor geldt de langere termijn voor het indienen van de aanvraag. Verweerder moet binnen zes weken een nieuwe beslissing nemen waarin wordt beoordeeld of de schuld in aanmerking komt voor overname.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres. De uitspraak bevestigt de bescherming van gedupeerden binnen de regeling en benadrukt het belang van correcte toepassing van termijnen in bestuursrechtelijke procedures rondom de toeslagenaffaire.