ECLI:NL:RBROT:2025:13533

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
ROT 25/218
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1 WhtArt. 4.1 WhtArt. 2.1 WhtArt. 2.6 WhtArt. 2.7 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond: aanvraag overname private schuld tijdig ingediend onder Wet hersteloperatie toeslagen

Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, verzocht om overname van haar private schuld aan de Rabobank. Verweerder weigerde deze aanvraag omdat deze te laat zou zijn ingediend op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De rechtbank oordeelt dat de aanvraag wel tijdig is gedaan omdat de eerste beschikking tot toekenning van compensatie op 9 mei 2023 nog niet onherroepelijk was toen de aanvraag op 2 augustus 2024 werd ingediend.

De rechtbank benadrukt dat de eerdere forfaitaire toekenning van € 30.000,- uit 2021 (lichte toets) niet gelijkstaat aan een onherroepelijke eerste beschikking tot compensatie zoals bedoeld in artikel 6.1 lid 4 Wht. Hierdoor geldt de langere termijn voor het indienen van de aanvraag. Verweerder moet binnen zes weken een nieuwe beslissing nemen waarin wordt beoordeeld of de schuld in aanmerking komt voor overname.

Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres. De uitspraak bevestigt de bescherming van gedupeerden binnen de regeling en benadrukt het belang van correcte toepassing van termijnen in bestuursrechtelijke procedures rondom de toeslagenaffaire.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit dat de aanvraag tot overname van de private schuld te laat was ingediend.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/218

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2025 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer),
en

De minister van Financiën, verweerder

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van verweerder om de private schuld van eiseres over te nemen, omdat deze te laat zou zijn ingediend. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) wel moet beoordelen of hij de schuld overneemt, omdat eiseres de aanvraag binnen de wettelijke termijn heeft gedaan. Eiseres krijgt gelijk en het beroep is gegrond.

Procesverloop

2. Met het besluit van 1 november 2022 (het primaire besluit) heeft Sociale Banken Nederland (SBN) geweigerd de schuld van eiseres over te nemen.
2.1.
Met het besluit van 18 december 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Eiseres heeft aanvullende stukken ingebracht.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Met het besluit van 24 februari 2021 is aan eiseres op grond van de zogenaamde Catshuisregeling eenmalig een forfaitair bedrag van € 30.000,- toegekend (de lichte toets). Met het besluit van 9 mei 2023 heeft de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) na een integrale herbeoordeling in de definitieve beschikking bepaald dat eiseres nog recht heeft op een bedrag van € 1.260,-. Tegen dit besluit heeft eiseres op 1 juni 2023 bezwaar gemaakt.
3.1.
Eiseres heeft op 2 augustus 2024 bij SBN een schuldenlijst ingediend, met het verzoek om haar private schuld aan de Rabobank van € 2.387,25 over te nemen. Met het primaire besluit heeft SBN de aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Standpunt eiseres

4. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij het verzoek tot het overnemen van haar private schuld wel tijdig heeft ingediend. Omdat eiseres bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 9 mei 2023 is de aanvraagtermijn nog niet verstreken. Er is nog geen sprake van een onherroepelijke beschikking tot toekenning van compensatie.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt de vraag of verweerder terecht de aanvraag van eiseres om haar schuld over te nemen heeft afgewezen, omdat deze te laat is ingediend. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden.
5.1.
Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wht dient een aanvraag als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van de Wht (inzake overneming of betaling van privaatrechtelijke geldschulden van een gedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag) uiterlijk 1 januari 2024 te worden ingediend. In afwijking daarvan staat in artikel 6.1, vierde lid, van de Wht dat een dergelijke aanvraag, in de situatie dat de gedupeerde een eerste beschikking heeft gekregen tot toekenning van compensatie (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht) of een O/GS-tegemoetkoming (als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, van de Wht) die na 1 juli 2023 onherroepelijk is komen vast te staan, wordt ingediend uiterlijk zes maanden na de datum waarop die beschikking onherroepelijk is komen vast te staan.
5.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat met de eerste beschikking tot compensatie, de beschikking van 24 februari 2021, in het kader van de lichte toets wordt bedoeld. Deze beschikking staat onherroepelijk vast en daarmee heeft eiseres, aldus verweerder, de aanvraag buiten de wettelijke termijn ingediend.
5.3.
De Dienst Toeslagen kent het forfaitaire bedrag van € 30.000,- toe aan degene die op basis van een eerste zorgvuldige beoordeling (de zogenoemde lichte toets) in aanmerking komt voor een herstelmaatregel als bedoeld artikel 2.7, vierde lid, van de Wht. Daarmee staat nog niet vast dat diegene recht heeft op compensatie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Het is mogelijk dat de Dienst Toeslagen na uitgebreider onderzoek (de zogenoemde integrale beoordeling) vaststelt dat geen recht op compensatie bestaat als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. De wetgever heeft die mogelijkheid uitdrukkelijk onderkend: “Toekenning van het forfaitaire bedrag betekent dus nog niet dat de belanghebbende ook per definitie recht heeft op toepassing van de compensatieregeling”. [1] De beschikking over de compensatie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, behelst ook geen wijziging of aanvulling van de beschikking over het forfaitaire bedrag op grond van artikel 2.7 van de Wht. De beschikking over het forfaitaire bedrag is dus niet aan te merken als de eerste beschikking tot toekenning van compensatie zoals bedoeld in artikel 6.1, vierde lid, van de Wht.
5.4.
De rechtbank volgt eiseres in haar standpunt dat zij de aanvraag tot het overnemen van de private schuld tijdig heeft ingediend. De beschikking van 9 mei 2023 tot toekenning van compensatie is de eerste beschikking in de zin van artikel 6.1, vierde lid, van de Wht. Op het moment van de aanvraag tot het overnemen door SBN van de private schuld van eiseres was deze beschikking nog niet onherroepelijk. Haar beroep is daarmee gegrond.

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft bepaald dat eiseres de aanvraag buiten de wettelijke termijn heeft ingediend. Dit betekent dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder moet binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar nemen. In deze nieuwe beslissing moet verweerder beoordelen of aan de hand van de voorwaarden van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht de geldschuld van eiseres voor overname in aanmerking komt.
6.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 53,- vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met in achtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres vergoedt;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. van der Velden, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 4.1. Overneming of betaling privaatrechtelijke geldschulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag
1. Onze Minister neemt op aanvraag de geldschulden en kosten over op grond van artikel 155 van Pro Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c, of een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, tenzij op die aanvrager, die partner of die ex-partner artikel 4.6 of 4.7 van toepassing is.
2. De geldschulden die worden overgenomen:
a. zijn ontstaan na 31 december 2005;
b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
(…)
Artikel 6.1. Aanvraagtermijnen
1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, 2.6, eerste lid, 3.13, eerste lid, 4.1, eerste lid, 4.2, 4.3, eerste lid, 4.4, eerste lid, 4.6, eerste lid, of 4.7, eerste lid, wordt ingediend voor 1 januari 2024. Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, of 2.6, derde lid, wordt ingediend voor 1 april 2025.
(…)
4. In afwijking van het eerste lid wordt een aanvraag als bedoeld in 4.1, eerste lid, 4.2, 4.4, eerste lid, 4.6, eerste lid, of 4.7, eerste lid, indien de eerste beschikking tot toekenning van compensatie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of van een O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, na 1 juli 2023 onherroepelijk vast komt te staan, uiterlijk zes maanden na de datum waarop die beschikking onherroepelijk vast komt te staan, ingediend.
(...)

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2021/22, 36151, nr. 3, p. 80.