ECLI:NL:RBROT:2025:13549

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
C/10/707413 / JE RK 25-1990
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking kinderrechter over ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van de minderjarige voor twaalf maanden en een machtiging tot uithuisplaatsing binnen het netwerk, namelijk bij de oom en tante van vaderszijde, voor negen maanden. Dit verzoek werd ondersteund door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west en besproken tijdens een zitting met gesloten deuren op 21 oktober 2025.

De minderjarige verblijft momenteel zonder toestemming van de ouders bij de oom en tante, wat heeft geleid tot spanningen en een gebrek aan vertrouwen tussen de ouders en betrokken hulpverleners. De minderjarige voelt zich niet gehoord en is angstig voor haar vader, waardoor contact met de ouders vrijwel ontbreekt. Hulpverleningstrajecten zoals MultiDimensionele FamilieTherapie en Psychomotorische therapie zijn opgestart om het contact te herstellen.

De kinderrechter oordeelt dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk is vanwege ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige, met name op het gebied van identiteitsontwikkeling en autonomievorming. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd omdat de minderjarige zich veilig voelt bij de oom en tante en terugkeer naar huis weigert. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht en verleent machtiging tot uithuisplaatsing bij de oom en tante voor respectievelijk twaalf en negen maanden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/707413 / JE RK 25-1990
Datum uitspraak: 21 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder]en
[naam vader],
hierna te noemen: de ouders, wonende in [woonplaats],
advocaat van de ouders: mr. N. Roos, kantoorhoudende te Rotterdam,

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de Raad met bijlagen van 29 september 2025, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;
  • het definitieve rapport van de Raad met bijlagen van 7 oktober 2025, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de ouders met hun advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1];
- een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west, locatie Dordrecht hierna te noemen: de GI, [naam 2].
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] verblijft bij de oom en tante van vaderszijde (vz).
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 juli 2025 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 24 juli 2025 tot
24 oktober 2025.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 augustus 2025 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor netwerkpleegzorg, te weten bij de oom en tante vz, verlengd tot 24 oktober 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] binnen het netwerk, te weten bij de oom en tante vz, te verlenen voor de duur van negen maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. De Raad maakt zich zorgen om het feit dat [minderjarige] haar ouders niet ziet. FamilySupporters was betrokken bij het gezin en door FamilySupporters is [minderjarige], zonder toestemming van haar ouders, bij de oom en tante vz gaan wonen. Dit heeft ervoor gezorgd dat de ouders geen vertrouwen meer hebben in FamilySupporters. [minderjarige] geeft aan zich niet gehoord te voelen in de thuissituatie bij haar ouders en angstig te zijn geweest voor de vader. De Raad heeft de indruk dat [minderjarige] klem zit tussen haar ouders en de oom en tante vz. Een ondertoezichtstelling is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat het contact wordt hersteld. Het is belangrijk dat de ouders de regie weer kunnen pakken en dat [minderjarige] weer vertrouwen krijgt in haar ouders. De Raad benadrukt dat de oom en tante vz een sleutelrol spelen in het stimuleren van het contact met de ouders. Doordat [minderjarige] momenteel zonder toestemming van de ouders bij de oom en tante vz verblijft, is een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk.

4.De standpunten

4.1.
De GI ondersteunt ter zitting het verzoek van de Raad. De GI heeft de afgelopen tijd geprobeerd om het contact te herstellen tussen [minderjarige] en haar ouders, maar [minderjarige] is stellig in wat zij wil. MultiDimensionele FamilieTherapie (MDFT) is ingezet en de komende tijd zal een screening plaatsvinden door pleegzorg. Inmiddels staat [minderjarige] ook open voor Psychomotorische therapie (PMT) en vanuit daar zal gekeken worden of er aanvullend onderzoek gedaan moet worden. Het is belangrijk dat [minderjarige] de komende tijd rust ervaart, zodat hulpverlening van start kan gaan. Ook de GI erkent dat de oom en tante vz een cruciale rol spelen in het contactherstel. Er is gestart met mediation voor de ouders en de oom en tante vz.
4.2.
Door en namens de ouders wordt ter zitting het volgende naar voren gebracht. De ouders hebben ingestemd met de ondertoezichtstelling. Ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing verzoeken de ouders primair het verzoek van de Raad af te wijzen, maar de ouders beseffen goed dat dit niet realistisch is. Met pijn in het hart, maar in het belang van [minderjarige], staan zij dan ook achter dit verzoek. De situatie is voor de ouders enorm lastig. [minderjarige] heeft aangegeven pas aan contactherstel te willen werken als zij zeker weet dat zij niet terug naar huis hoeft. Het doet de ouders enorm veel pijn, maar zij beseffen goed dat zij momenteel geen andere keuze hebben. De ouders vinden het fijn dat er stappen worden gezet en hulpverlening wordt ingezet. Zij hopen dat het contact met [minderjarige] op haar manier en haar tempo hersteld kan worden. De ouders zijn bereid om overal aan mee te werken. Tegelijkertijd hebben de ouders zorgen over de plaatsing bij de oom en tante vz. In het verleden zijn er problemen geweest tussen de vader en de tante. Daarnaast heeft het wijkteam aangegeven dat het beter zou zijn als [minderjarige] naar een neutrale plek zou gaan. De ouders hopen dat er door mediation wat gaat veranderen in de situatie tussen de vader en de tante.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling. [1] Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat een verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
[minderjarige] wordt ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. Er zijn grote zorgen om de identiteitsontwikkeling en autonomievorming van [minderjarige]. Door spanningen binnen haar familie komt [minderjarige] onvoldoende toe aan haar eigen ontwikkelingstaken. Daarnaast is het zorgelijk dat [minderjarige] zich onvoldoende gezien en gehoord heeft gevoeld door haar ouders. Momenteel is er geen contact tussen [minderjarige] en haar ouders en [minderjarige] ziet haar broertje en zusje nauwelijks. In het vrijwillig kader is het niet gelukt om hier verandering in te brengen. De ouders van [minderjarige] zijn voldoende bereid, maar onvoldoende in staat om onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen. [minderjarige] geeft aan zich veilig te voelen bij de oom en tante vz en weigert terug naar huis te gaan. Het is positief dat MDFT en PMT opgestart worden om zo te werken aan contactherstel tussen [minderjarige] en haar ouders. Daarvoor is het van belang dat het mediationtraject van de ouders en de oom en tante vz gecontinueerd wordt. De kinderrechter benadrukt dat er voor de oom en tante vz een sleutelrol is weggelegd voor het vinden van een opening richting contactherstel bij [minderjarige]. Het is belangrijk dat er stappen gezet gaan worden en daarvoor is het noodzakelijk dat de GI actief casusregie blijft voeren.
5.3.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de ondertoezichtstelling daarom in dit geval nodig is. De kinderrechter zal [minderjarige] onder toezicht stellen van de GI voor de duur van twaalf maanden. Ook is kinderrechter van oordeel dat de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van negen maanden noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west, locatie Dordrecht, met ingang van 21 oktober 2025 tot 21 oktober 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] binnen het netwerk, te weten bij de oom en tante van vaderszijde, met ingang van 21 oktober 2025 tot 21 juli 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2025 door
mr. M.C. Woudstra, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 5 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255, Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.