ECLI:NL:RBROT:2025:13601

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
C/10/709674 / JE RK 25-2287
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in het kader van jeugdbescherming

In deze beschikking van de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam, gedateerd 13 november 2025, wordt een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor een minderjarige, geboren in 2018, die momenteel in een pleeggezin verblijft. De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering heeft het verzoek ingediend, omdat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd. De moeder, die het ouderlijk gezag heeft, is betrokken bij de procedure, maar er zijn zorgen over haar vermogen om de minderjarige adequaat te ondersteunen. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de moeder onvoldoende inzicht heeft in haar eigen problematiek en dat er geen constructieve samenwerking met de hulpverlening tot stand is gekomen. Ondanks de bereidheid van de moeder om mee te werken, is er een gebrek aan vertrouwen in de jeugdbeschermer, wat de situatie compliceert. De kinderrechter oordeelt dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. De machtiging tot uithuisplaatsing geldt van 13 november 2025 tot 13 april 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/709674 / JE RK 25-2287
Datum uitspraak: 13 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder, wonende in [plaats] ,
advocaat mr. S.L. Prass uit Amsterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 6 november 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] .

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 maart 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 13 april 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 juli 2025 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 14 december 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. [minderjarige] verblijft op dit moment in een crisispleeggezin. Hij kan daar tot 18 november aanstaande blijven. Inmiddels is er een gezinshuis van [zorgaanbieder] voor [minderjarige] gevonden, waar hij voor langere tijd kan verblijven. [minderjarige] is daar al aan het wennen en dit gaat goed. [minderjarige] is in zijn ontwikkeling vooruitgegaan. Hij is rustiger en begrijpt opdrachten beter. Dat wordt door Horses &Co bevestigd. De GI is van mening dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder ligt en dat gewerkt moet worden aan een prettig verlopende omgangsregeling met de moeder en blijvende betrokkenheid van de pleegmoeder. Het lukt de jeugdbeschermer niet om met de moeder zaken over [minderjarige] te bespreken. De moeder weigert om met haar in gesprek te gaan, waardoor ook afspraken niet tot stand komen. De moeder ziet niet in dat zij hulp nodig heeft voor zichzelf en wil daar dan ook niet aan meewerken. De zorgen worden herkend door alle betrokken instanties, te weten Horizon, [zorgaanbieder] en ASVZ.

4.Het standpunt van de moeder

4.1.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek. De moeder is er verbaasd over dat door de GI al een perspectiefbesluit is genomen, terwijl [minderjarige] pas vijf maanden geleden uit huis geplaatst is en er nog vele mogelijkheden zijn voor een terugplaatsing die nog niet onderzocht zijn. Mede hierdoor is het vertrouwen van de moeder in de samenwerking met de jeugdbeschermer geschaad. De moeder voelt zich buitenspel gezet en wil niet meer in gesprek met de jeugdbeschermer. De moeder is bereid mee te werken, maar dan moet er wel een andere jeugdbeschermer worden toegewezen. De moeder wil graag dat [minderjarige] thuisgeplaatst wordt met ambulante hulpverlening vanuit Middin. Zij kan goed voor hem zorgen en biedt hem stabiliteit, anders dan het huidige pleeggezin waar hij volgens de moeder wordt vernederd, gediscrimineerd en verwaarloosd. Namens de moeder is daarom primair verzocht het verzoek af te wijzen en subsidiair om de machtiging voor een kortere periode te verlenen.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] kampt met een ontwikkelingsachterstand op verschillende gebieden. Hij heeft extra ondersteuning en begeleiding nodig. Omdat het de moeder onvoldoende lukte om [minderjarige] te stimuleren, afspraken na te komen en de samenwerking met hulpverlening aan te gaan, is [minderjarige] in juli 2025 uit huis geplaatst in een crisispleeggezin. Helaas is de afgelopen maanden onvoldoende verbetering in de houding en het gedrag van de moeder door de GI gezien. Nog altijd is bij de moeder sprake van een gebrek aan inzicht in haar eigen problematiek en het daaruit voortvloeiende gedrag. Ook herkent zij de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] niet dan wel niet voldoende. Ondanks het advies vanuit Horizon, na een gezinsverkenningsopname in mei 2024, dat de moeder structureel dagelijks ondersteuning nodig heeft, is de moeder van mening dat zij [minderjarige] zelfstandig kan opvoeden en verzorgen. De moeder lijkt daarnaast de strijd met de jeugdbeschermer boven de belangen van [minderjarige] te hebben gesteld. Door het wantrouwen van de moeder is er nog altijd geen constructieve samenwerking met de GI. De moeder volgt adviezen niet op. Zo is er nog geen psychodiagnostisch onderzoek bij haar afgenomen, ontvangt zij nog geen hulpverlening voor haar eigen (mentale) problematiek en staat zij niet open voor een opname in een ouder-kind huis. Dit alles maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder op dit moment niet mogelijk is. Het verzoek van de GI wordt dan ook toegewezen. Het is de komende periode aan de moeder om haar wantrouwen opzij te zetten en de samenwerking met de GI en de hulpverlening aan te gaan.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 13 november 2025 tot 13 april 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2025 door mr. G.M. Paling, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.C.J. Holierhoek als griffier, en op schrift gesteld op 21 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.