ECLI:NL:RBROT:2025:13602

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
C/10/708981 / JE RK 25-2192
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking van de kinderrechter over ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige

Op 13 november 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam een beschikking uitgesproken in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht betreffende een minderjarige, geboren in 2010. De kinderrechter heeft de minderjarige onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing verleend bij de vader voor de duur van zes maanden. De Raad verzocht om deze maatregelen vanwege de zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarige, die al veel ups en downs heeft meegemaakt en recent bij de vader is geplaatst. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de minderjarige ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, gezien zijn belast verleden en de onzekere opvoedsituatie bij de vader. De kinderrechter heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de maatregelen direct van kracht zijn, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken, met de mogelijkheid voor belanghebbenden om binnen drie maanden in hoger beroep te gaan.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/708981 / JE RK 25-2192
Datum uitspraak: 13 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de vader],
hierna te noemen de vader, wonende in [plaats 1] ,
[de voogdes],
hierna te noemen de voogdes, wonende in [plaats 2] ,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader;
  • de voogdes;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger 2] .
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan [persoon A] en [persoon B] , begeleiders van de vader vanuit het Leger des Heils.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 24 december 2015 is [minderjarige] onder voogdij gesteld van de pleegmoeder, zijnde de voogdes.
2.2.
[minderjarige] verblijft bij de vader.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 augustus 2025 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 28 november 2025.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 september 2025 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de oma mz tot 28 november 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader (zonder gezag) te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. [minderjarige] heeft al veel ups en downs meegemaakt. Hij is beschadigd in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Recent is hij bij de vader geplaatst. De vader wil er graag voor [minderjarige] zijn. De Raad heeft wel zorgen over de plaatsing bij de vader, gelet op het belaste verleden van de vader en het feit dat hij nooit eerder een opvoedkundige rol heeft gespeeld in het leven van [minderjarige] . Verder heeft [minderjarige] nog geen dagbesteding. De Raad verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden, omdat binnen die termijn duidelijk moet zijn of [minderjarige] definitief bij de vader kan blijven wonen.

4.De standpunten

4.1.
Door de GI is ter zitting ingestemd met het verzoek van de Raad. De afgelopen maanden waren erg onrustig voor [minderjarige] . Een plaatsing bij de oma moederszijde (hierna: oma mz) is helaas mislukt. Inmiddels verblijft hij bij de vader, dit gaat vooralsnog goed. Wel is het zorgelijk dat [minderjarige] nog altijd geen dagbesteding heeft en geen onderwijs volgt. Er is passende dagbesteding gevonden bij [dagbesteding] , waar hij gelijk zou kunnen starten, maar de financiering hiervan is nog niet rond. [minderjarige] heeft een onderwijsvrijstelling, maar de vraag is of dit wenselijk is. De bedoeling is dat er eerst rust en structuur komt voor [minderjarige] en dat daarna bekeken gaat worden hoe hij weer onderwijs kan gaan volgen. De vader ontvangt begeleiding vanuit het Leger des Heils waar hij veel aan heeft. De hulpverleners bieden geen opvoedondersteuning, maar kunnen wel af en toe advies geven. Bezien zal worden of dit voldoende is, of dat extra ondersteuning nodig is. [minderjarige] krijgt op dit moment geen hulpverlening. Hij wil graag rust. Wel heeft hij veel steun aan zijn coach die al jaren bij hem betrokken is en met wie hij dagelijks contact heeft.
4.2.
De voogdes heeft ter zitting ingestemd met het verzoek. [minderjarige] heeft een heel goed contact met zijn coach. De coach heeft zowel online als fysiek goed zicht op [minderjarige] . Er is een uitbreiding van de uren van de coach gevraagd van 6 naar 12 uur per week. De verwachting is dat dit goedgekeurd zal worden. [minderjarige] en de vader hebben allebei goed aan zichzelf gewerkt. [minderjarige] is een hele lieve jongen, maar wel beïnvloedbaar. Inmiddels weet hij dat hij beter thuis kan blijven dan op straat gaan hangen. Ook accepteert hij inmiddels het gezag van de vader. De voogdes heeft twijfels over de onderwijsvrijstelling die [minderjarige] heeft. [minderjarige] is een slimme jongen en kan goed leren. Dat moet benut worden.
4.3.
De vader is het eens met het verzoek van de Raad. De vader is erg blij met de aanwezigheid van de coach en heeft ook veel baat bij zijn eigen hulpverlening vanuit het Leger des Heils. De vader ziet in dat hij in het verleden fouten heeft gemaakt, maar wil er nu volledig zijn voor [minderjarige] . Het is ook belangrijk dat [minderjarige] goed contact blijft behouden met de voogdes.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de kinderrechter van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding [2] . De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
[minderjarige] wordt ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. [minderjarige] heeft een belast verleden waarin hij op veel verschillende plekken heeft verbleven, zowel in pleegezinnen als op groepen, nadat hij ernstig verwaarloosd is in de thuissituatie bij de moeder. Verschillende plaatsingen zijn niet succesvol verlopen, wat bij [minderjarige] tot veel verdriet en boosheid heeft geleid. [minderjarige] verbleef tot 15 augustus 2025 bij [zorgaanbieder] te [plaats 3] . Een plaatsing bij de oma mz is geprobeerd, maar helaas niet gelukt. [minderjarige] is vervolgens (noodgedwongen) bij de vader geplaatst. Tot op heden verloopt deze plaatsing goed. Zowel de vader als [minderjarige] zijn gemotiveerd om deze plaatsing te laten slagen. De Raad heeft echter zorgen over de opvoedvaardigheden van de vader. De kinderrechter begrijpt deze zorgen. Een eerdere plaatsing bij de vader, twee jaar geleden, is niet goed verlopen, de vader heeft in het verleden verkeerde keuzes gemaakt en is niet eerder als opvoeder betrokken geweest in het leven van [minderjarige] . Het is positief dat het contact tussen [minderjarige] en de vader inmiddels is hersteld, maar zicht houden op de opvoedsituatie bij de vader is van groot belang. Verder zijn er zorgen over het feit dat, ondanks alle inspanningen daartoe, [minderjarige] nog geen dagbesteding heeft. De inzet en betrokkenheid van een jeugdbeschermer zijn dan ook noodzakelijk.
5.3.
De kinderrechter stelt [minderjarige] daarom onder toezicht voor de duur van een jaar. Daarnaast wordt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader (zonder gezag) voor de duur van zes maanden verleend.
5.4.
De kinderrechter overweegt ten overvloede dat het fijn is voor [minderjarige] dat hij, naast de steun vanuit zijn vader, ook veel heeft aan het contact met de voogdes en zijn coach. Het is van groot belang dat dit contact de komende tijd door de jeugdbeschermer gewaarborgd wordt, ook omdat de voogdes beslissingsbevoegd is.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 13 november 2025 tot 13 november 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader (zonder gezag) met ingang van 13 november 2025 tot 13 mei 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2025 door mr. G.M. Paling, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.C.J. Holierhoek als griffier, en op schrift gesteld op 21 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.