Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:13663

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1840 – FT RK 25/1841
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening moratorium bij ontruiming huurwoning

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd op grond van artikel 287b Faillissementswet om uitvoering van het ontruimingsvonnis van 19 september 2025 op te schorten. De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie omdat ontruiming dreigt per 15 oktober 2025.

Hoewel verweerster stelt dat de huurachterstand is opgelopen en verzoeker niet zijn hoofdverblijf in de woning heeft, is de huurtermijn van november 2025 inmiddels betaald door de moeder van verzoeker en staat verzoeker onder beschermingsbewind. De beschermingsbewindvoerder verklaart zorg te dragen voor tijdige betaling van toekomstige huurtermijnen.

De rechtbank weegt het belang van verzoeker om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten zwaarder dan het belang van verweerster als verhuurder. Daarom wordt de voorlopige voorziening toegewezen voor zes maanden, onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan. Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe en schort de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden op onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
[rekestnummer 1] / FT RK 25/1840 – [rekestnummer 2] / FT RK 25/1841
uitspraakdatum: 12 november 2025
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [plaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 10 oktober 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 10 oktober 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 5 november 2025.
Ter zitting van 5 november 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • de heer mr. A. El Ouath, werkzaam bij ILM advocaten (hierna: advocaat);
  • de heer M. El-joghrafi, werkzaam bij JM Bewind B.V., (hierna: beschermingsbewindvoerder);
  • mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Stichting Hef Wonen, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster);
  • mevrouw mr. drs. L.J. Verheij, werkzaam bij Kneppelhout & Korthals N.V. (hierna: advocaat versweerster).
De advocaat van verweerster heeft voorafgaand aan de zitting op 4 november 2025 aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker ontvangt een PW-uitkering. Daarnaast ontvangt verzoeker huur- en zorgtoeslag. De huur bedraagt € 693,09 per maand. De huurtermijn van november 2025 is op
3 november 2025 – door de moeder van verzoeker – voldaan. Daarnaast staat verzoeker – sinds kort – onder beschermingsbewind, waardoor ook voldoende aannemelijk is dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden betaald. De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard zorg te dragen voor betaling van de huurtermijnen vanaf december 2025.

3.Het verweer

Verweerster heeft in haar verweerschrift aangegeven dat de achterstand inmiddels is opgelopen naar € 8.755,30. De huurtermijn van november 2025 is niet voldaan. Van verweerster kan niet worden verlangd, dat zij nog eens zes maanden haar huurinkomsten mis loopt. Verzoeker heeft niet zijn hoofdverblijf in de woning gevestigd. Het ontruimingsvonnis van de kantonrechter heeft – naast de huurachterstand – een andere grondslag. Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat haar belangen als verhuurder dienen te prevaleren boven de belangen van verzoeker. Derhalve dient het verzoek te worden afgewezen.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 29 september 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 15 oktober 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 19 september 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. De huurtermijn van november 2025 is op
3 november 2025, weliswaar te laat, voldaan. Beschermingsbewind zal waarborgen dat de huurtermijnen vanaf december 2025 tijdig zullen worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
Dat de kantonrechter de huurovereenkomst ook om andere redenen dan de huurachterstand heeft ontbonden blijkt niet uit het vonnis van 19 september: daarin wordt wel overwogen dat de verhuurder meerdere gronden heeft aangevoerd voor de ontbinding maar de kantonrechter overweegt ook expliciet dat de huurovereenkomst wordt ontbonden vanwege de betalingsachterstand.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 19 september 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] , [postcode] te [plaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
10 oktober 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van
I.A. van Buuren, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025.