Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:13667

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
11799476 CV EXPL 25-15556
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 139 RvArt. 233 RvArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling huurachterstand met correctie wegens oneerlijke huurprijsopslag

De huurder heeft van Coöperatie UCP IV Cooperatief U.A. een woning gehuurd en heeft een huurachterstand opgebouwd. De huurovereenkomst is beëindigd, maar de huurachterstand inclusief incassokosten, rente en proceskosten wordt gevorderd door UCP.

De kantonrechter verleent verstek tegen de huurder en oordeelt dat de huurder de huurachterstand moet betalen. Echter, de rechter stelt het bedrag lager vast dan gevorderd omdat de opslagbedingen in de huurprijsverhogingsbepalingen als oneerlijk worden aangemerkt en vernietigd. De jaarlijkse opslag van maximaal 5% bovenop de CPI-indexering is niet gerechtvaardigd en overschrijdt aanvaardbare grenzen.

De kale aanvangshuur bedroeg € 950,- en werd verhoogd met 4,5% naar € 992,75, resulterend in een betalingsverplichting van € 1.125,75 inclusief servicekosten. Correctie op basis van alleen CPI-indexering leidt tot een lagere huurverplichting, waardoor de huurachterstand € 2.127,21 bedraagt in plaats van € 2.180,41.

De incassokosten van € 440,55 en wettelijke rente over de huurachterstand worden toegewezen. De proceskosten van € 1.017,14 komen voor rekening van de huurder. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Huurder wordt veroordeeld tot betaling van € 2.567,76 met rente en proceskosten, met correctie wegens vernietiging oneerlijke opslagbedingen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11799476 CV EXPL 25-15556
datum uitspraak: 26 november 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Coöperatie UCP IV Cooperatief U.A.,
vestigingsplaats: Amsterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. E.L.B. Hundscheidt,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [plaats 1] ,
gedaagde,
die niet in de procedure is verschenen.
De partijen worden hierna ‘UCP’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 14 juli 2025, met bijlagen;
  • het tussenvonnis van 6 augustus 2025;
  • de akte van UCP van 17 september 2025, met bijlagen.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] heeft van UCP de woning aan het [adres] in [plaats 2] gehuurd. De huurovereenkomst is inmiddels beëindigd maar er is op dit moment nog een huurachterstand. UCP eist dat [gedaagde] de huurachterstand met incassokosten van € 440,55, rente en de proceskosten betaalt.
2.2.
In het tussenvonnis is tegen [gedaagde] verstek verleend (artikel 139 Rv Pro). De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de huurachterstand moet betalen, maar stelt dit bedrag lager vast dan in de dagvaarding is gevorderd. [gedaagde] is een bedrag van € 2.127,21 verschuldigd, omdat de opslagbedingen in de huurprijswijzigingsbepalingen oneerlijk zijn. Hij moet ook alle bijkomende kosten betalen. Hierna wordt deze beslissing uitgelegd.
Waarom zijn de opslagbedingen vernietigd?
2.3.
In artikel 16 van Pro de algemene bepalingen is bepaald dat de huurprijs jaarlijks kan worden geïndexeerd volgens de consumentenprijsindex (CPI). Daarnaast bepalen artikel 5.2 en artikel 12 onder Pro a van de huurovereenkomst dat de verhuurder het recht heeft om, bovenop deze indexering, de huurprijs te verhogen met een opslag van maximaal 5%. Zoals de kantonrechter reeds heeft geoordeeld in het tussenvonnis zijn deze opslagbedingen
oneerlijk, omdat zo’n hoge opslag niet nodig is om kostenstijgingen die uitgaan boven de inflatie te compenseren en om de huurprijs in de pas te laten lopen met de waardeontwikkeling van de woning. Een jaarlijkse huurstijging met dit opslagpercentage blijft niet binnen aanvaardbare grenzen. UCP heeft niet uitgelegd waarom dat in dit geval anders zou zijn. De kantonrechter heeft daarom de opslagbedingen vernietigd. [1]
De huurachterstand
2.4.
De kale aanvangshuur bedroeg op 22 augustus 2023 € 950,-. UCP heeft bij akte toegelicht dat de huur conform artikel 5.2 en artikel 12 onder Pro a van de huurovereenkomst voor het eerst werd verhoogd op 1 juli 2024 met 4,5% naar € 992,75, wat resulteerde in een totale betalingsverplichting (inclusief servicekosten) van € 1.125,75. Volgens UCP had de huur op basis van de CPI-indexering, zoals bepaald in artikel 16 van Pro de algemene bepalingen, per 1 juli 2024 echter moeten uitkomen op € 979,45, ofwel € 1.112,45 inclusief servicekosten. Zij verzoekt daarom correctie van de huurverhoging per 1 juli 2024 tot dit bedrag. De kantonrechter volgt UCP in deze berekening en acht de toelichting juist. Dit betekent dat, bij vernietiging van de opslagbedingen, over de periode van juli tot en met oktober 2024 € 53,20 (4 x € 13,30) te veel aan huur is gerekend.
2.5.
UCP heeft in de dagvaarding gesteld dat de huurachterstand € 2.180,41 bedroeg, maar zij heeft dus € 53,20 te veel aan huur in rekening gebracht. Dit betekent dat [gedaagde] een bedrag van € 2.127,21 (€ 2.180,41 – € 53,20) aan huur is verschuldigd. Hij wordt veroordeeld om dat bedrag te betalen.
Incassokosten
2.6.
De incassokosten van € 440,55 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW Pro).
Rente
2.7.
De rente wordt, zoals verzocht, toegewezen over het bedrag van de huurachterstand vanaf 14 juli 2025 tot de dag dat volledig is betaald.
Ambtshalve toetsing
2.8.
De kantonrechter heeft onderzocht of er nog andere oneerlijke bepalingen zijn in de huurvoorwaarden, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
Proceskosten
2.9.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan UCP moet betalen op € 146,14 aan dagvaardingskosten, € 514,- aan griffierecht, € 238,- aan salaris voor de gemachtigde (1 punt x € 238,-) en € 119,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.017,14. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.10.
Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan UCP te betalen € 2.567,76 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 2.127,21 vanaf 14 juli 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van UCP worden begroot op € 1.017,14;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
53954

Voetnoten

1.Hoge Raad 29 november 2024: ECLI:NL:HR:2024:1780