ECLI:NL:RBROT:2025:13667

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
11799476 CV EXPL 25-15556
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huurachterstand en vernietiging van oneerlijke huurprijsopslagbedingen

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 26 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen Coöperatie UCP IV Cooperatief U.A. (eiseres) en een gedaagde huurder die niet in de procedure is verschenen. De eiseres vorderde betaling van een huurachterstand van € 2.180,41, vermeerderd met incassokosten en rente. De huurovereenkomst was inmiddels beëindigd, maar er was nog een huurachterstand. De kantonrechter heeft verstek verleend tegen de gedaagde en geoordeeld dat de huurder € 2.127,21 verschuldigd is, omdat de huurverhoging die door de verhuurder was toegepast op basis van een oneerlijk opslagpercentage in het huurprijswijzigingsbeding niet gerechtvaardigd was. De kantonrechter heeft de opslagbedingen vernietigd, omdat deze niet binnen aanvaardbare grenzen blijven en niet nodig zijn om kostenstijgingen te compenseren. De kantonrechter heeft ook de incassokosten van € 440,55 toegewezen en de rente over de huurachterstand vanaf 14 juli 2025 tot de dag van volledige betaling. De proceskosten zijn begroot op € 1.017,14, die voor rekening van de gedaagde komen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11799476 CV EXPL 25-15556
datum uitspraak: 26 november 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Coöperatie UCP IV Cooperatief U.A.,
vestigingsplaats: Amsterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. E.L.B. Hundscheidt,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [plaats 1] ,
gedaagde,
die niet in de procedure is verschenen.
De partijen worden hierna ‘UCP’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 14 juli 2025, met bijlagen;
  • het tussenvonnis van 6 augustus 2025;
  • de akte van UCP van 17 september 2025, met bijlagen.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] heeft van UCP de woning aan het [adres] in [plaats 2] gehuurd. De huurovereenkomst is inmiddels beëindigd maar er is op dit moment nog een huurachterstand. UCP eist dat [gedaagde] de huurachterstand met incassokosten van € 440,55, rente en de proceskosten betaalt.
2.2.
In het tussenvonnis is tegen [gedaagde] verstek verleend (artikel 139 Rv). De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de huurachterstand moet betalen, maar stelt dit bedrag lager vast dan in de dagvaarding is gevorderd. [gedaagde] is een bedrag van € 2.127,21 verschuldigd, omdat de opslagbedingen in de huurprijswijzigingsbepalingen oneerlijk zijn. Hij moet ook alle bijkomende kosten betalen. Hierna wordt deze beslissing uitgelegd.
Waarom zijn de opslagbedingen vernietigd?
2.3.
In artikel 16 van de algemene bepalingen is bepaald dat de huurprijs jaarlijks kan worden geïndexeerd volgens de consumentenprijsindex (CPI). Daarnaast bepalen artikel 5.2 en artikel 12 onder a van de huurovereenkomst dat de verhuurder het recht heeft om, bovenop deze indexering, de huurprijs te verhogen met een opslag van maximaal 5%. Zoals de kantonrechter reeds heeft geoordeeld in het tussenvonnis zijn deze opslagbedingen
oneerlijk, omdat zo’n hoge opslag niet nodig is om kostenstijgingen die uitgaan boven de inflatie te compenseren en om de huurprijs in de pas te laten lopen met de waardeontwikkeling van de woning. Een jaarlijkse huurstijging met dit opslagpercentage blijft niet binnen aanvaardbare grenzen. UCP heeft niet uitgelegd waarom dat in dit geval anders zou zijn. De kantonrechter heeft daarom de opslagbedingen vernietigd. [1]
De huurachterstand
2.4.
De kale aanvangshuur bedroeg op 22 augustus 2023 € 950,-. UCP heeft bij akte toegelicht dat de huur conform artikel 5.2 en artikel 12 onder a van de huurovereenkomst voor het eerst werd verhoogd op 1 juli 2024 met 4,5% naar € 992,75, wat resulteerde in een totale betalingsverplichting (inclusief servicekosten) van € 1.125,75. Volgens UCP had de huur op basis van de CPI-indexering, zoals bepaald in artikel 16 van de algemene bepalingen, per 1 juli 2024 echter moeten uitkomen op € 979,45, ofwel € 1.112,45 inclusief servicekosten. Zij verzoekt daarom correctie van de huurverhoging per 1 juli 2024 tot dit bedrag. De kantonrechter volgt UCP in deze berekening en acht de toelichting juist. Dit betekent dat, bij vernietiging van de opslagbedingen, over de periode van juli tot en met oktober 2024 € 53,20 (4 x € 13,30) te veel aan huur is gerekend.
2.5.
UCP heeft in de dagvaarding gesteld dat de huurachterstand € 2.180,41 bedroeg, maar zij heeft dus € 53,20 te veel aan huur in rekening gebracht. Dit betekent dat [gedaagde] een bedrag van € 2.127,21 (€ 2.180,41 – € 53,20) aan huur is verschuldigd. Hij wordt veroordeeld om dat bedrag te betalen.
Incassokosten
2.6.
De incassokosten van € 440,55 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
Rente
2.7.
De rente wordt, zoals verzocht, toegewezen over het bedrag van de huurachterstand vanaf 14 juli 2025 tot de dag dat volledig is betaald.
Ambtshalve toetsing
2.8.
De kantonrechter heeft onderzocht of er nog andere oneerlijke bepalingen zijn in de huurvoorwaarden, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
Proceskosten
2.9.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan UCP moet betalen op € 146,14 aan dagvaardingskosten, € 514,- aan griffierecht, € 238,- aan salaris voor de gemachtigde (1 punt x € 238,-) en € 119,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.017,14. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.10.
Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan UCP te betalen € 2.567,76 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 2.127,21 vanaf 14 juli 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van UCP worden begroot op € 1.017,14;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
53954

Voetnoten

1.Hoge Raad 29 november 2024: ECLI:NL:HR:2024:1780