Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2025 in de zaak tussen
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
Wat is er gebeurd?
plegen te reizentussen de woning of verblijfplaats en de plaats of plaatsen van werkzaamheden waarbij binnen een tijdsbestek van 24 uur zowel heen als terug wordt gereisd en wordt in aanmerking genomen voor de per openbaar vervoer afgelegde reisafstand. [7] De rechtbank leidt uit deze formulering af dat het voor het recht op een vervoersvoorziening gaat om de verwachting dat de werknemer minimaal eenmaal per week op kantoor aanwezig dient te zijn. Partijen zijn het erover eens dat deze verwachting er voor de periode van 1 april 2022 tot de datum van de aanvraag van 12 september 2022 niet was omdat er in die periode vanwege corona geen noodzaak was om naar de werkplek te reizen. Zoals partijen ter zitting hebben toegelicht, is ook niet langer in geschil dat deze verwachting er wel was vanaf de datum van de aanvraag. Met het invoeren van een gezamenlijke kantoordag door de opdrachtgever ( [werkgever 1] ), was de verwachting dat eiser minimaal één dag in de week op de werkplek aanwezig diende te zijn. Gelet hierop is voldaan aan de voorwaarden voor een vervoersvoorziening en heeft eiser hier recht op vanaf de dag van zijn aanvraag van 12 september 2022. Het UWV had eisers aanvraag om een vervoersvoorziening daarom vanaf 12 september 2022 moeten toewijzen. Omdat het UWV dit met het bestreden besluit niet heeft gedaan, bevat dat besluit een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. Het bestreden besluit kan daarom niet in stand blijven.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 25 juli 2024;
- herroept het primaire besluit van 15 november 2022;
- bepaalt dat eiser met ingang van 12 september 2022 recht heeft op een voorziening in de vorm van vergoeding van (fictieve) taxikosten die eiser heeft gemaakt van en naar zijn werk;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser;
- veroordeelt het UWV tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiser van € 1.000,-.