Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- [verzoekster], verzoekster;
- de heer M. Van der Linden, schuldhulpverlener bij Stroomopwaarts (hierna: schuldhulpverlening).
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft op 16 oktober 2025 een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening op grond van artikel 287, vierde lid, van de Faillissementswet. Dit verzoek strekte ertoe om te voorkomen dat de ontruiming van haar woonruimte zou worden uitgevoerd totdat op haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zou zijn beslist. De ontruiming had echter reeds op dezelfde dag om 11:00 uur plaatsgevonden, ruim voor het indienen van het verzoek.
De rechtbank heeft tijdens de zitting van 20 oktober 2025 de zaak aangehouden om verzoekster en schuldhulpverlening de gelegenheid te geven het verzoek in te trekken. Verweerster, Woonplus, was niet opgeroepen en kon geen verweer voeren. De rechtbank oordeelde dat voor toewijzing van het verzoek vereist is dat sprake is van een bedreigende situatie, maar dat deze situatie door de reeds uitgevoerde ontruiming niet meer aanwezig was.
De rechtbank concludeert dat de voorlopige voorziening niet kan leiden tot het terugdraaien van een reeds uitgevoerde ontruiming. Daarom wordt het verzoek afgewezen wegens gebrek aan belang. De beschikking is gegeven door rechter M. Aukema op 17 november 2025. Tegen deze uitspraak kan binnen drie maanden hoger beroep worden ingesteld door een daartoe gerechtigde, uitsluitend via een advocaat.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening moratorium wordt afgewezen wegens gebrek aan belang omdat de ontruiming reeds heeft plaatsgevonden.