Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- de heer mr. M.P. Harten, werkzaam bij JAW Advocaten (hierna: advocaat).
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft op 10 oktober 2025 een tweede voorlopige voorziening (moratorium) ex artikel 287b Faillissementswet gevraagd om uitvoering van een ontruimingsvonnis te voorkomen. Eerder was al een moratorium van zes maanden toegekend, lopende van januari tot juli 2025. Verzoeker betaalde de huurtermijnen tot juni 2025, maar vanaf augustus 2025 zijn de huurtermijnen niet meer voldaan, waaronder ook november 2025 niet.
De rechtbank oordeelt dat de maximale termijn van zes maanden moratorium al is verstreken en dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden betaald. Het betoog dat het eerste moratorium tussentijds zou zijn geëindigd wordt gepasseerd, omdat partijen zich niet zo hebben gedragen.
De belangenafweging weegt zwaar in het voordeel van verweerster, die het ontruimingsvonnis wil uitvoeren. Verzoeker wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet. De rechtbank wijst het verzoek tot voorlopige voorziening af en laat verzoeker de mogelijkheid om later een nieuw verzoek in te dienen.
Uitkomst: Het verzoek om een tweede voorlopige voorziening wordt afgewezen en verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.