ECLI:NL:RBROT:2025:13880

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
30 november 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1969 en FT RK 25/1970
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing moratoriumverzoek wegens onvoldoende inkomen en niet-ontvankelijkheid schuldsaneringsverzoek

Verzoekster heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening (moratorium) te treffen op grond van artikel 287b Faillissementswet, teneinde de ontruiming van haar woonruimte te voorkomen. Zij heeft een inkomen uit een ZW-uitkering van € 1.813,60, terwijl de maandelijkse huur € 2.031,20 bedraagt. Verzoekster heeft daarnaast een woonkostentoeslag aangevraagd, maar deze is nog niet toegekend.

De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie, omdat de ontruiming op korte termijn zal plaatsvinden. Echter, de rechtbank stelt vast dat het inkomen van verzoekster onvoldoende is om de lopende huurtermijnen te voldoen en dat het schuldhulpverleningstraject nog niet kan aanvangen vanwege de financiële situatie. Hierdoor is onvoldoende gewaarborgd dat de huurbetalingen zullen worden voldaan.

Verweerder heeft een groot financieel belang bij het uitvoeren van het vonnis tot ontruiming, mede vanwege de aanzienlijke huurachterstand. De rechtbank weegt het belang van verweerder zwaarder dan dat van verzoekster en wijst het moratoriumverzoek af.

Daarnaast verklaart de rechtbank het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet niet-ontvankelijk, omdat het minnelijk traject niet op korte termijn zal worden afgerond. Verzoekster kan te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

Uitkomst: Het verzoek om een moratorium wordt afgewezen en het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 26 november 2025
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 29 oktober 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 29 oktober 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 19 november 2025.
Ter zitting van 19 november 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • de heer [persoon A] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
  • de heer [persoon B] , verweerder;
  • mevrouw mr. R. van der Hoeff, werkzaam bij THL Advocaten (hierna: advocaat verweerder).
Schuldhulpverlening heeft op 14 november 2025 aan de rechtbank te kennen gegeven dat verzoekster – wegens ernstige medische omstandigheden – niet ter zitting zal verschijnen.
De advocaat van verweerder heeft namens verweerder voorafgaand aan de zitting op
18 november 2025 aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerder te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 oktober 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft inkomen uit een ZW-uitkering van € 1.813,60. De huur bedraagt
€ 2.031,20 per maand (bestaande uit kale huur, stoffering en meubilering). Om toch tot betaling van de lopende huurtermijnen te kunnen overgaan heeft verzoekster op 29 oktober 2025 woonkostentoeslag aangevraagd. Op deze aanvraag is tot heden nog geen beslissing genomen. Ter zitting heeft schuldhulpverlening verklaard dat ook onbekend is wanneer op de aanvraag zal worden beslist. Verzoekster heeft dus – op dit moment – onvoldoende inkomen om de lopende huurtermijnen te voldoen. Doordat het budgetplan van verzoekster niet rond komt, kan ook het schuldhulpverleningstraject (nog) niet aanvangen. Verzoekster verblijft vanwege ernstige medische omstandigheden in het ziekenhuis.

3.Het verweer

Verweerder stelt zich – kort samengevat – op het volgende standpunt. De woning betreft een luxe grote woning op een A-locatie in het centrum van Rotterdam en is volledig gemeubileerd. Het vonnis bij de kantonrecht is gewezen op tegenspraak. Verzet hiertegen is niet meer mogelijk. Tot en met november 2025 is er sprake van een huurachterstand van acht maanden, voor een totaal bedrag van € 14.156,-. De laatste huurbetaling dateert van april 2025. Door de wanbetaling lijdt verweerder behoorlijke financiele schade. Deze schade moet hij als particulier dragen en drukken hem zwaar. Daarnaast heeft verzoekster op geen enkel moment laten zien serieus aan het inlopen van de achterstand en het betalen van de lopende huurtermijnen te (willen) gaan werken. Ook heeft verweerder er geen vertrouwen in dat het minnelijke traject (met succes) door verzoekster zal worden doorlopen. Verweerder verzoekt de voorlopige voorziening af te wijzen.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 oktober 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 15 oktober 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerder op 30 oktober 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerder, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerder bestaat erin dat hij het vonnis van 10 oktober 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster heeft inkomen uit een ZW-uitkering van € 1.813,60. Dit inkomen is onvoldoende om de lopende huurtermijnen van
€ 2.031,20 te kunnen voldoen. Ook is de door verzoekster aangevraagde woonkostentoeslag (nog) niet toegekend. Onvoldoende is dus ook gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen zullen worden voldaan. Daarnaast kan het schuldhulpverleningstraject – op dit moment – niet aanvangen omdat de financiële situatie niet stabiel is. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerder zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoekster. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.