Verzoekster heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar huurwoning opschort. De ontruiming was gepland naar aanleiding van een vonnis van 18 juni 2025. De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming.
De rechtbank weegt het belang van verzoekster, die in haar woning wil blijven en het minnelijk schuldhulpverleningstraject wil voortzetten, tegen het belang van verweerster, die het vonnis wil uitvoeren. Gezien de tijdige betaling van de huurtermijn van november 2025 en de toezegging dat toekomstige termijnen ook tijdig voldaan zullen worden, weegt het belang van verzoekster zwaarder.
De rechtbank wijst het moratorium toe voor een periode van zes maanden, met de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen worden voldaan. Tevens wordt de huurovereenkomst verlengd voor de duur van de voorziening. Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, met de mogelijkheid om later een nieuw verzoek in te dienen.
De voorziening biedt verzoekster de noodzakelijke adempauze om haar schuldenregeling voort te zetten en beschermt haar tegen onmiddellijke ontruiming, terwijl de belangen van verweerster door de voorwaarden worden gewaarborgd.