Uitspraak
[naam vereniging]uit Schiedam ([naam vereniging]).
Eiseres en het college hebben nadere stukken ingediend.
Op grond van artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo is het verboden een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder omgevingsvergunning in stand te laten.
De rechtbank zal het beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar in de einduitspraak gegrond verklaren. De rechtbank zal zelf de verbeurde dwangsom met toepassing van artikel 8:55c van de Awb in de einduitspraak vaststellen op het maximale bedrag van € 1.442,-.
In het wijzigingsbesluit staat verder dat nader onderzoek door de afdeling Monumenten heeft uitgewezen dat het pand – een oude distilleerderij – oorspronkelijk over veel muuropeningen in de gevels beschikte, omdat er veel geventileerd moest worden. De drie extra raamopeningen worden in dat opzicht dan ook als wenselijk aangemerkt in dit (inmiddels) monumentale pand. Daarom is sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden afgezien van het opleggen van een last onder bestuursdwang.
Dat de drie extra raamopeningen volgens het college als wenselijk kunnen worden aangemerkt in het monumentale pand, betekent volgens eiseres ook niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van handhaving kan worden afgezien. Volgens eiseres is bovendien geen sprake van concreet zicht op legalisatie. Eiseres stelt dat het college in de vooraankondiging aan [naam 4] van 13 december 2021 nog het standpunt heeft ingenomen dat de wijzigingen niet voor legalisering in aanmerking komen op grond van een stedenbouwkundige beoordeling, die vanuit het oogpunt van het beschermd stadsgezicht en de omliggende beschermde monumenten volledig is overgenomen. Dat de gemeentelijke afdeling monumenten (later) de drie extra raamopeningen als wenselijk aanmerkt, doet daar niet aan af. Het advies van de afdeling monumenten ontbreekt en het lijkt om een interpretatie van de ambtenaar zelf te gaan. Bovendien was voor 1981 slechts één gevelopening aanwezig.
Verder is niet in geschil dat [naam vereniging] niet is aan te merken als overtreder van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, omdat de ramen niet door de huidige eigenaren [4] zijn aangebracht. Dit betekent dat, gelet op artikel 5:32, eerste lid, van de Awb, voor deze overtreding geen last onder dwangsom [5] kan worden opgelegd aan [naam vereniging].
Het verbod om een zonder omgevingsvergunning gebouwd bouwwerk in stand te laten, was vóór de inwerkingtreding van de Wabo opgenomen in artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet. Die bepaling is op 1 april 2007 in werking getreden. In de uitspraak van 23 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM8853, heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtszekerheid zich verzette tegen handhavend optreden ten opzichte van een overtreder die al vóór de inwerkingtreding van het verbod in artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet eigenaar was geworden. Ten tijde van de verkrijging hoefde van deze eigenaar niet te worden verlangd dat hij onderzoek verrichtte naar de vraag of de bouwwerken op het perceel zonder of in afwijking van een bouwvergunning waren gebouwd. Dat zou anders zijn geweest als hij ten tijde van de verkrijging concrete aanwijzingen had dat zonder of in afwijking van een bouwvergunning was gebouwd, maar daarvan is niet gebleken. De Afdeling heeft ook overwogen dat dit onverlet laat dat het college de mogelijkheid had om met bestuursdwang op te treden tegen het bouwwerk op grond van artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet. Dit is het latere artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.
De leden van [naam vereniging] zijn in 2004 en 2005 eigenaar geworden, dus vóór de inwerkingtreding van het verbod om een zonder omgevingsvergunning gebouwd bouwwerk in stand te laten in het toenmalige artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet op 1 april 2007. Hoewel uit de stukken niet precies duidelijk is geworden wanneer de drie vensteropeningen in de zijgevel zijn aangebracht, staat tussen partijen niet ter discussie dat ze in ieder geval op die datum al aanwezig waren. In de door eiseres overgelegde leveringsakten van [adres 3] en [adres 4] zijn alleen erfdienstbaarheden vermeld voor twee andere ramen in de noordelijke zijgevel. Die ramen zijn volgens de verklaring van voormalig eigenaar en bewoonster [naam 2] bij de verbouwing van het pand tot twee appartementen vergund en tot de verkoop in oktober 1992 niet gewijzigd. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter uit het feit dat de andere drie ramen niet in de leveringsakte zijn vermeld niet worden afgeleid dat die ramen zonder omgevingsvergunning voor bouwen zijn aangebracht. Een civielrechtelijke leveringsakte heeft een geheel ander doel en andere inhoud dan informatie over omgevingsvergunningen. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd ook verder geen reden voor het oordeel dat de leden van [naam vereniging] op het moment van de verkrijging concrete aanwijzingen hadden dat de drie vensteropeningen in de noordelijke zijgevel zonder omgevingsvergunning zijn gerealiseerd. Dit betekent dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet handhavend kan worden opgetreden tegen [naam vereniging] wegens overtreding van artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo. De beroepsgrond slaagt in zoverre niet.
Volgens vaste rechtspraak geldt een beginselplicht tot handhaving en kan het college alleen onder bijzondere omstandigheden afzien van handhavend optreden, namelijk bij concreet zicht op legalisatie of als handhavend optreden onevenredig zou zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen (zie overweging 11 van deze uitspraak). In het wijzigingsbesluit en het bestreden besluit heeft het college niet uitgelegd waarom de daar genoemde omstandigheden betekenen dat sprake is van concreet zicht op legalisatie of onevenredigheid. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met het motiveringsbeginsel. [7]
Daarnaast blijkt uit de toelichting die het college heeft gegeven over de wenselijkheid van ramen in de zijgevel niet dat handhavend optreden in dit geval onevenredig zou zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Het college baseert dit standpunt op een advies van de gemeentelijke afdeling monumenten, maar er is geen schriftelijk advies van deze afdeling overgelegd. Dit is daarom niet controleerbaar. Ook uit het aanwijzingsbesluit van 16 mei 2017 waarmee [adres 2] is aangewezen als gemeentelijk monument blijkt niet dat het aanbrengen van ramen in de noordelijke zijgevel wenselijk is vanwege het monumentale karakter van het pand. Zelfs als de drie extra vensteropeningen zouden passen bij de monumentale waarden, is daarmee bovendien nog niet gezegd dat handhavend optreden onevenredig is. Daarvoor is namelijk een belangenafweging nodig, waarin niet alleen de belangen van de overtreder, maar ook die van eiseres en eventuele andere omwonenden worden meegewogen. In dat verband is ook van belang dat het college in de vooraankondiging van handhavend optreden van 13 december 2021 aan [naam 4] nog het standpunt innam dat er stedenbouwkundige bezwaren waren tegen de ramen; voor de ramen in de zijgevel betrof dat in ieder geval de privacy. Ter zitting heeft het college ook nog gesteld dat de ramen gelet op bouwtechnische eisen belangrijk zijn voor de ventilatie van de woning, maar het college heeft dat niet nader onderbouwd. Bovendien is niet gebleken dat niet op een andere manier in ventilatie van de woning kan worden voorzien.
De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen moet het college alsnog toereikend motiveren waarom, gelet op de in overweging 11 genoemde criteria, in dit geval van handhaving moet worden afgezien. Als het college tot de conclusie komt dat toch handhavend moet worden opgetreden, moet het college een nieuw besluit nemen.
De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak.
Algemene wet bestuursrechtArtikel 5:251. De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.(…)
(…)