ECLI:NL:RBROT:2025:13974

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
ROT 24/1191
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag overname geldschuld op basis van de Wet hersteloperatie toeslagen

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 27 november 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure tussen eiseres en de minister van Financiën. Eiseres, die gedupeerd is door de kinderopvangtoeslagaffaire, had een aanvraag ingediend voor de overname van een geldschuld op basis van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De minister had deze aanvraag afgewezen, omdat de schuld niet voor 1 juni 2021 opeisbaar was geworden. Eiseres voerde aan dat de minister ten onrechte de hardheidsclausule niet had toegepast, omdat zij door de coronacrisis niet in staat was geweest om aan haar aflossingsverplichtingen te voldoen. De rechtbank oordeelde echter dat de beroepsgronden van eiseres niet slagen. De rechtbank concludeerde dat de schuld niet als opeisbaar kon worden beschouwd, aangezien eiseres met de schuldeiser afspraken had gemaakt over uitstel van betaling. De rechtbank oordeelde dat de minister de hardheidsclausule terecht niet had toegepast, omdat er geen sprake was van schrijnende omstandigheden die toepassing van de regeling rechtvaardigden. De rechtbank verklaarde het beroep van eiseres ongegrond, wat betekent dat de minister niet verplicht was de schuld over te nemen. Eiseres kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/1191

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. L.A.E. Timmer),
en

de minister van Financiën,

( [gemachtigde] ).

Procesverloop

1.1.
Met een besluit van 16 januari 2023 heeft de minister de aanvraag van eiseres om private schulden over te nemen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) afgewezen.
1.2.
Met een besluit van 23 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 16 januari 2023 ongegrond verklaard.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft eiseres bij brief van 26 februari 2025 verzocht nadere informatie in te dienen.
1.6.
Eiseres heeft bij brief van 27 maart 2025 nadere informatie ingediend.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van de minister.
1.8.
De rechtbank heeft bij brief van 22 april 2025 het onderzoek heropend en eiseres in de gelegenheid gesteld nadere informatie in te dienen.
1.9.
Bij brieven van 20 mei 2025 en 2 juni 2025 heeft eiseres van deze gelegenheid gebruikgemaakt.
1.10.
De minister heeft bij brief van 21 augustus 2025 op de nadere stukken van eiseres gereageerd.
1.11.
Eiseres heeft hierop gereageerd bij brief van 23 september 2025.
1.12.
Nadat geen van de partijen desgevraagd te kennen heeft gegeven op een nadere zitting te willen worden gehoord, heeft de rechtbank bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en vervolgens het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2.1.
Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire.
2.2.
In december 2018 heeft eiseres ten behoeve van haar bedrijf een bedrag van € 60.000,- geleend van [schuldeiser] (hierna: [schuldeiser] ). Volgens de leningsovereenkomst moest eiseres een rente van 7,75% per jaar betalen. Eiseres moest voor het eerst rente betalen in januari 2019. De lening diende te worden afgelost in zestig termijnen van € 1.000,-. De eerste aflossingstermijn moest worden betaald in oktober 2019.
2.3
Eiseres heeft met [schuldeiser] diverse malen nadere afspraken gemaakt over de rente en de aflossing, onder meer in verband met de coronacrisis. Deze afspraken hielden in dat eiseres tijdelijk een lagere rente moest betalen en/of dat tijdelijk niet hoefde te worden afgelost. Eiseres heeft naast een schriftelijke bevestiging van de nadere afspraken ook nieuwe aflosschema’s ontvangen.
3. De minister heeft de aanvraag van eiseres om private schulden over te nemen afgewezen omdat volgens de minister geen sprake is van een opeisbare schuld. [1] Volgens de minister is er geen aanleiding om de hardheidsclausule [2] toe te passen.
4. Eiseres heeft – samengevat – het volgende aangevoerd. De minister heeft ten onrechte geweigerd de schuld van eiseres bij [schuldeiser] over te nemen voor zover het gaat om de achterstallige aflossingstermijnen tot en met mei 2021. Het gaat hier om een opeisbare schuld. Dat [schuldeiser] de achterstanden destijds niet heeft opgeëist, had te maken met de oproep van de overheid aan kredietverstrekkers om in verband met de coronacrisis niet tot executiemaatregelen over te gaan. Als [schuldeiser] de schuld wel had opgeëist, had de minister deze volgens eiseres zonder meer moeten overnemen. De minister had onder deze omstandigheden desnoods toepassing moeten geven aan de hardheidsclausule. Eiseres heeft in dit kader verder aangevoerd dat zij door de coronacrisis haar onderneming herhaaldelijk heeft moeten sluiten. Daardoor heeft zij minder kunnen aflossen dan de bedoeling was en heeft zij uiteindelijk over een langere periode rente moeten betalen.
5. De Wht bevat een regeling op grond waarvan private schulden van gedupeerden van de toeslagenaffaire door de minister kunnen worden overgenomen. Geldschulden die kunnen worden overgenomen, zijn ontstaan na 31 december 2005, zijn voor 1 juni 2021 opeisbaar geworden en zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. [3] Voor leningen is verder van belang dat de hoofdsom slechts wordt overgenomen als die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar is geworden. [4] De voorwaarde van opeisbaarheid voor 1 juni 2021 behoort tot de kern van de regeling van het overnemen van private schulden. De wetgever heeft er bij de totstandkoming van deze regeling bewust voor gekozen dat schulden van gedupeerde ouders niet kunnen worden overgenomen als die schulden niet voor 1 juni 2021 opeisbaar zijn geworden. [5]
6.1.
De rechtbank oordeelt dat de beroepsgronden niet slagen. Dit wordt als volgt toegelicht.
6.2.
Weliswaar heeft eiseres door omstandigheden (waaronder de coronacrisis) niet kunnen aflossen volgens het aanvankelijk overeengekomen schema, maar uit de door eiseres overgelegde stukken blijkt dat [schuldeiser] herhaaldelijk heeft ingestemd met uitstel van de aflossingsverplichtingen in verband met de coronacrisis. De rechtbank leidt uit diverse stukken (waaronder een aflosschema en een e-mail van [schuldeiser] van 9 maart 2021) af dat [schuldeiser] in maart 2021 – opnieuw – heeft ingestemd met een uitstel van het begin van de aflossingen, dit maal voor de periode van maart tot en met mei 2021. Eiseres is dus met [schuldeiser] overeengekomen dat zij pas in juni 2021 hoefde te beginnen met aflossen. Ten aanzien van de aflosverplichtingen was dus op 31 mei 2021 van een opeisbare schuld geen sprake. Dat het verleende uitstel (mede) te maken had met de coronacrisis, is hierbij niet van belang. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat niet is voldaan aan het vereiste van opeisbaarheid voor 1 juni 2021.
6.3.
Over het beroep van eiseres op de hardheidsclausule [6] overweegt de rechtbank het volgende. Toepassing van de hardheidsclausule kan aan de orde zijn in bijzondere gevallen, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Het moet daarbij gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen. [7] De rechtbank is van oordeel dat de minister de hardheidsclausule in het geval van eiseres terecht niet heeft toegepast. Daarbij is van belang dat de regeling van het overnemen van private schulden beoogt gedupeerde ouders te vrijwaren van incassomaatregelen. [8] Eiseres heeft vóór 1 juni 2021 niet met incassomaatregelen te maken gehad. Inmiddels heeft eiseres een belangrijk deel van de schuld afgelost (restant per 31 december 2024: € 24.000,-). Niet gesteld of gebleken is dat eiseres thans niet aan haar aflos- en renteverplichtingen kan voldoen. Eiseres heeft tijdens de coronacrisis haar onderneming herhaaldelijk moeten sluiten. De rechtbank begrijpt dat eiseres toen een heel moeilijke periode doormaakte. Deze omstandigheid rechtvaardigt echter niet de toepassing van de hardheidsclausule. Ook de omstandigheden dat eiseres minder heeft kunnen aflossen dan de bedoeling was, dat zij uiteindelijk over een langere periode rente heeft moeten betalen en dat, indien [schuldeiser] wel zou hebben vastgehouden aan het oorspronkelijk overeengekomen aflossingsschema, deze schuld mogelijk wel voor overname in aanmerking zou zijn gekomen, zijn geen omstandigheden die tot toepassing van de hardheidsclausule kunnen leiden.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat de minister de schuld aan [schuldeiser] niet hoeft over te nemen. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Huisman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.
2.Zie artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht. Hieruit volgt, kort gezegd, dat afwijking van de regel over de opeisbaarheid mogelijk is voor zover toepassing van deze regel, gelet op doel of strekking ervan, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
3.Artikel 4.1, eerste en tweede lid, van de Wht.
4.Artikel 4.1, vierde lid, onder b, van de Wht.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045, en de daarin vermelde passages uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wht.
6.Artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2620.
8.Zie de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024 en de daarin genoemde passages uit de totstandkomingsgeschiedenis.