In deze civiele procedure tussen [eiser] en Heineken Nederland B.V. staat de vraag centraal of Heineken als tussenhuurder recht heeft op huurprijsvermindering vanwege de overheidsmaatregelen in verband met de coronapandemie.
De kantonrechter bevestigt het eerdere oordeel dat Heineken aanspraak kan maken op huurprijsvermindering voor het gehuurde. Daarbij wordt het nadeel van Heineken berekend op basis van het bieromzetverlies en de huurkorting waarop de onderhuurder jegens Heineken aanspraak heeft, verminderd met de TVL (Tegemoetkoming Vaste Lasten). Dit nadeel wordt gelijkelijk verdeeld tussen partijen.
Hoewel [eiser] bezwaar maakte tegen het betrekken van het bieromzetverlies, wordt dit verweer verworpen. De omvang van de huurkortingsaanspraak van de onderhuurder wordt nader onderbouwd en vastgesteld op € 42.779,-. De kantonrechter gaat uit van een huurkortingsaanspraak van € 29.769,- die [eiser] aan Heineken verschuldigd is.
De vorderingen van Heineken worden toegewezen, waarbij [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van een resterende huurkorting van € 4.422,83 exclusief btw, met wettelijke rente vanaf 4 april 2024. De kosten van de procedure worden gecompenseerd, zodat partijen elk hun eigen kosten dragen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.