ECLI:NL:RBROT:2025:14159

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
FT RK 25-1150
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 295 FwArt. 296 FwArt. 310 FwArt. 316 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing en verlenging wettelijke schuldsaneringsregeling wegens problematische schuldpositie

Verzoeker bevindt zich in een problematische schuldensituatie en heeft een verzoek ingediend tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). De rechtbank stelt vast dat verzoeker geen buitengerechtelijke schuldregeling heeft kunnen treffen vanwege het standpunt van de Belastingdienst. Daarom wordt het verzoek ontvankelijk verklaard.

Hoewel de schulden aan de Belastingdienst niet te goeder trouw zijn ontstaan, wordt verzoeker toch toegelaten tot de Wsnp op grond van de hardheidsclausule. Verzoeker heeft haar onderneming beëindigd en is inmiddels werkzaam in loondienst, wat vertrouwen geeft in nakoming van de verplichtingen.

De schuld aan de Belastingdienst betreft een bedrag van ruim €118.000,- dat in vijf jaar is opgebouwd. Gezien de aard van deze schuld wordt de duur van de Wsnp-regeling verlengd van 18 naar 30 maanden. De ingangsdatum wordt vastgesteld op 5 november 2025. Tijdens de regeling geldt een bewindvoerder en rechter-commissaris die toezicht houden op de naleving van de verplichtingen.

Uitkomst: Verzoeker wordt toegelaten tot de Wsnp met een regeling van 30 maanden vanaf 5 november 2025.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
insolventienummer: [nummer]
vonnis van:
5 november 2025
op het verzoek van:
[verzoeker],
wonende te [adres],
[postcode] [plaatsnaam].
Waar deze zaak over gaat
[verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp.
1.2.
De schuldhulpverlener van [verzoeker] heeft op 2 september 2025 aanvullende stukken aan de rechtbank toegezonden.
1.3.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 29 oktober 2025. Op de zitting zijn verschenen:
- [verzoeker],
- mevrouw C.J. de Koning, schuldhulpverlener bij de Sociale Dienst Drechtsteden,
- mevrouw C.J. van der Kust, collega van mevrouw De Koning.

2.De beoordeling

Ontvankelijkheid
2.1.
Om toegelaten te worden tot de Wsnp, moet [verzoeker] in beginsel eerst een poging hebben gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Dit vereiste vervalt als aannemelijk is dat het niet mogelijk is om tot een dergelijke regeling te komen.
2.2.
Uit het verzoekschrift blijkt dat schuldhulpverlening namens [verzoeker] geen aanbod heeft gedaan aan de schuldeisers. In plaats daarvan is direct een Wsnp-verzoek ingediend. De reden hiervoor is dat de Belastingdienst aan schuldhulpverlening heeft medegedeeld bij voorbaat niet akkoord te gaan met een schuldenregelingsvoorstel.
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat in deze specifieke situatie voldoende aannemelijk is dat niet tot een buitengerechtelijke schuldregeling kan worden gekomen. [verzoeker] is daarom ontvankelijk in haar verzoek.
De toelating
2.4.
[verzoeker] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoeker] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
2.5.
De rechtbank is van oordeel dat de schulden aan de Belastingdienst die binnen de drie-jaarstermijn vallen, niet te goeder trouw zijn ontstaan. Uit de overgelegde stukken blijkt dat [verzoeker] bij de Belastingdienst onder meer schulden heeft laten ontstaan terzake van inkomstenbelasting en ZVW van ruim € 118.000,-. [verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat zij niet heeft gereserveerd voor de betaling van inkomstenbelasting in de periode dat zij werkzaam was als zelfstandige. De schuld aan de belastingdienst is naar haar aard niet te goeder trouw ontstaan, althans onbetaald gelaten en staat in beginsel aan toelating in de weg.
2.6.
In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om [verzoeker] toch toe te laten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. Gebleken is dat [verzoeker] de omstandigheden die hebben geleid tot het laten ontstaan van deze schulden, onder controle heeft gekregen. [verzoeker] heeft, op advies van Zuidweg & Partners, haar onderneming opgeheven op 30 augustus 2024 en is inmiddels werkzaam in loondienst als zorgmedewerker.
2.7.
Daarnaast is er bij de rechtbank voldoende vertrouwen dat [verzoeker] zich zal houden aan de verplichtingen van de Wsnp.
2.8.
[verzoeker] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp.
Duur
2.9.
De schuld van [verzoeker] aan de Belastingdienst vloeit voort uit het feit dat zij geen gelden heeft gereserveerd om haar belastingaanslagen te kunnen voldoen in de periode dat zij werkzaam was als zelfstandige. Deze schuld van € 118.598,20 is ontstaan in vijf jaar tijd en beslaat het overgrote deel van haar schuldenlast. In de aard van deze schuld ziet de rechtbank aanleiding om de duur van de schuldsaneringsregeling met twaalf maanden te verlengen.
2.10.
Gezien het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding de termijn van de Wsnp-regeling, in afwijking van het uitgangspunt van achttien maanden, vast te stellen op 30 maanden (ex artikel 349a lid 1 Fw).
Bevoegdheid
2.11.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening Pro (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [verzoeker] in Nederland ligt.
De ingangsdatum
2.12.
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
2.13.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
2.14.
De rechtbank stelt vast dat [verzoeker] niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum, terwijl ook overigens op basis van de ingediende stukken en dat wat op de zitting is besproken niet kan worden vastgesteld dat aan de vereiste verplichtingen is voldaan.

3.De (controle van) verplichtingen in de Wsnp

3.1.
De verplichtingen waaraan [verzoeker] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
3.2.
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of [verzoeker] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
3.3.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw Pro). De boedel omvat alle bezittingen die [verzoeker] nu heeft en wat zij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw Pro). [verzoeker] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw Pro). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
3.4.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
3.5.
De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan [verzoeker].
3.6.
Als [verzoeker] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op [verzoeker] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

4.De beslissing

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum]-1967 te [geboorteplaats],
wonende te [adres], [postcode] [plaatsnaam];
voorheen handelend onder de naam [handelsnaam],
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M. Aukema
en tot bewindvoerder mr. N.N. van Klaveren,
gevestigd te [postadres]
;
  • stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 5 november 2025 en de duur op 30 maanden, en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op
  • draagt de bewindvoerder op de post van [verzoeker] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. M. Aukema, rechter, in samenwerking met A.B.T. Fernandes Pedra, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025. [1]