De ouders van een minderjarige vroegen de kantonrechter om toestemming om het vermogen van ruim €56.000,- van hun kind te gebruiken als lening voor de financiering van twee winkels en drie woningen in Rotterdam. Dit vermogen was afkomstig uit een schadevergoeding en stond op een bankrekening met een beschermingsclausule.
Tijdens de zitting verklaarde de vader dat de investering via een holding zou lopen waarin hij en zijn zakenpartner aandelen bezitten, en dat de minderjarige een leencontract met 2% rente zou krijgen. De rechtbank oordeelde echter dat onvoldoende informatie was verstrekt over de financiële situatie van de holding en dat er een aanzienlijk risico bestond dat de minderjarige zijn investering zou verliezen.
De holding vertoonde een liquiditeitstekort en kon haar verplichtingen niet zelfstandig nakomen, wat zou kunnen leiden tot wanprestatie en gedwongen verkoop van de panden. Ook het faillissement van de ouders zou de situatie kunnen verslechteren. Omdat de minderjarige slechts een simpel leencontract heeft zonder hypotheekrecht, achtte de rechtbank de risico's te groot en wees het verzoek af.