Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.[persoon A] ,
[persoon B],
[persoon C],
1.[persoon B] ,
[persoon A],
DBA BEHEER B.V.,
1.[persoon D] ,
[persoon E],
[persoon F],
[persoon G],
[persoon H],
[persoon I],
[persoon J],
1.De zaak in het kort
2.De procedure
3.De feiten
B. BEKENDE LASTEN EN BEPERKINGEN
1. Tot de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken worden onder meer
a. de grond, (…)”
De als boven vrijgebleven strook ter breedte van een meter vijftig centimeters zal gebruikt worden als- en bestemd blijven tot- laan, toegang gevend tot de achterzijde van de ten deze verkochte perceelen en de perceelen aan den verkooper toebehorende nummers [nummer X] tot en met [nummer Y] [“A”, opm. rechtbank] (…), in welke laan alzo de ten deze verkochte perceelen en de evengemelde perceelen aan den verkooper toebehorende (…) nummers [nummer X] tot en met [nummer Y] [“A”, opm. rechtbank)], recht van in- en uitgang zullen hebben naar de thans aan de Oostzijde van (…) nummer [nummer Z] loopende laan, bij het kadaster bekend gemeente Rotterdam, (…) nummers [perceelnummer 6] en [perceelnummer 7] [(“E”), opm. rechtbank], naar [naam locatie] , waartoe de kooper van de beide gekochte perceelen in de genoemde heining voor ieder perceel eene deur zal mogen maken en de alzoo gevormde laan ook met een krui-, hand- of bokkenwagen mogen berijden, zullende het onderhoud van bovengenoemde daar te stellen heining en laan zijn voor rekening van de kooper of opvolgende eigenaren, berekend naar de oppervlakte der perceelen.
Alle welke bepalingen worden gevestigd als erfdienstbaarheid ten behoeve en ten laste van de perceelen Gemeente Rotterdam, (…) nummers [nummer X] tot en met [nummer Z] [waaronder: “A”, “B” en “C”, opm. rechtbank] onderling.
Ten vijfde; Op de ten deze verkochte perceelen grond zullen slechts mogen worden gebouwd geheele woonhuizen en nimmer woningen of beneden en bovenhuizen en zullen deze woonhuizen zoolang de verkooper nog eigenaar mocht zijn van een of meer der perceelen sectie A nummers [nummer X] tot en met [nummer Y] [“A”, opm. rechtbank] nimmer eene andere bestemming mogen hebben dan die van woonhuis.
Wordende deze bepaling gevestigd als eene erfdienstbaarheid ten laste van de verkochte perceelen en ten behoeve van de perceelen aan de verkooper toebehorende Gemeente Rotterdam sectie A nummers [nummer X] en [nummer Y] [“A”, opm. rechtbank].”
De rechten van alle betrokkenen zijn omschreven in uw eigendomsbewijs dat behoort te verwijzen naar een notariële acte van 2 maart 1914 (…) en/of een acte van houdende een proces verbaal van veiling de dato 22 januari 1896 (…). In dat proces-verbaal is het recht van in- en uitgang naar de [naam locatie] omschreven. Te uwer bediening zend ik u kopie van deze acte hierbij. Aangekruist is de omschrijving van uw recht om de laan naar de [naam locatie] met krui-hand of bokkenwagen (te) mogen berijden. Eerder in die acte is vermeld dat de gerechtigden gezamenlijk een deur mogen maken tussen de dwarslaan en de laan naar de [naam locatie] .
Deze deur is altijd gesloten gehouden maar sedert kort staat de deur regelmatig open en wordt ondanks het mijnerzijds sluiten weer regelmatig open gezet.
Op korte termijn wordt er een nieuw slot op de deur gezet. U krijgt bericht wanneer de nieuwe sleutels beschikbaar zijn.
Ik verzoek u allen mede te werken met het handhaven van de erfdienstbaarheid waartoe behoort het sluiten en op slot draaien van deze deur na passage.”
Met betrekking tot bekende erfdienstbaarheden, kwalitatieve bedingen en/of bijzondere verplichtingen wordt verwezen naar hetgeen is vermeld in voormelde aankomsttitel, waarin onder meer is vermeld:
“Artikel 5
Met betrekking tot bestaande erfdienstbaarheden verwijzen partijen naar:
A. het bepaalde sub 4e der akte de dato dertig oktober achttienhonderd zeven en negentig,
1e. dat de zuidelijke strook van de percelen kadastraal bekend gemeente Rotterdam,
2e. dat het onderhoud van deze strook voor gezamenlijke rekening is van de eigenaren
- als procespartij voor lastgevers in rechte op te treden, al of niet in kort geding of bij wijze van prorogatie, (…);
- en verder al datgene te doen wat lasthebber in het belang van haar, lastgevers, gewenst, nuttig of noodzakelijk zal achten en de lastgevers, zelf tegenwoordig zijnde, zou kunnen, mogen of moeten doen, alles met de macht van substitutie.
4.Het geschil
5.De beoordeling
Uit deze verklaringen leidt de rechtbank af dat het achterpad als doorgang werd gebruikt, ook als die doorgang nauw was. In elk geval zijn deze verklaringen zodanig dat niet kan worden uitgesloten dat het (achter)pad in de gestelde periode van non-usus, feitelijk is gebruikt ondanks de garage.
Een andere conclusie valt overigens slecht te rijmen met de feitelijke omstandigheid dat gedurende de afgelopen (tientallen) jaren het pad ten volle is gebruikt als achterontsluiting voor de betrokken percelen, dat dit ook nader vorm heeft gekregen door ommuring circa 20 jaar geleden door [persoon C] en dat dit gebruik en de erfdienstbaarheid als zodanig nooit ter discussie hebben gestaan. Die inrichting van het pad loopt ook over perceel [perceelnummer 3] (“C”), overeenkomstig de oorspronkelijke bedoeling van de erfdienstbaarheid.
Bij de oude regel dat door non-usus een erfdienstbaarheid teniet kon gaan, past de gedachte dat na verloop van tijd onder omstandigheden de juridische situatie zich moet aanpassen aan de feitelijke situatie. Hierbij past niet dat in de onderhavige situatie achteraf nog – na verloop van circa 45 jaar ná verwijdering van de garage en voortgezet gebruik van het pad nadien – een gerechtvaardigd beroep op non-usus gedaan zou kunnen worden. De rechtszekerheid zou hiermee juist worden geschaad.
Dat gebruik kan naar het oordeel van de rechtbank vervolgens niet los worden gezien van de tijdgeest, waarin de aard en intensiteit van het gebruik aan verandering onderhevig zijn, hetgeen de eigenaars van de dienende erven binnen redelijke grenzen hebben te dulden.
Dat het pad altijd onverhard en onverlicht is geweest betekent, zeker gezien de meer dan honderd verstreken jaren sinds de vestiging van de erfdienstbaarheid, dus niet dat dat altijd zo moet blijven. Die feitelijke omstandigheid betekent ook niet dat dit kan worden beschouwd als een plaatselijke gewoonte om een dergelijk pad zo in te richten.
- griffierecht € 688,00
- salaris advocaat € 1.228,00
€ 178,00(plus de in de beslissing vermelde verhoging)
- salaris advocaat € 409,33
- nakosten
- kosten dagvaarding € 135,97
- griffierecht € 688,00
- salaris advocaat € 1.228,00
€ 178,00(plus de in de beslissing vermelde verhoging)
- griffierecht € 688,00
- salaris advocaat € 1.228,00
€ 178,00(plus de in de beslissing vermelde verhoging)
€ 100,00
6.De beslissing
a) verharden van het pad met grind of met tegels;
€ 407,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,