ECLI:NL:RBROT:2025:14321
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot voortijdige opheffing sluiting avondwinkel wegens drugshandel en openbare orde
Verzoeker, eigenaar en exploitant van een avondwinkel, werd geconfronteerd met een drie maanden durende sluiting van zijn winkel door de burgemeester vanwege ernstige signalen van drugshandel en verstoring van de openbare orde. Na afwijzing van een eerdere voorlopige voorziening, verzocht verzoeker de burgemeester om voortijdige opheffing van de sluiting, wat werd afgewezen. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar en vroeg opnieuw een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter nam een spoedeisend belang aan vanwege de financiële gevolgen voor verzoeker, die zich had gemeld voor schuldhulpverlening en dreigde failliet te gaan. De burgemeester baseerde haar besluit mede op een negatief politieadvies en het beleid dat de openbare orde in beginsel drie maanden nodig heeft om te herstellen. Verzoeker voerde aan dat de sluiting niet langer noodzakelijk of evenwichtig was en dat het een punitief karakter kreeg.
De voorzieningenrechter oordeelde dat geen nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden waren die het voortduren van de sluiting onevenredig maakten. De sluiting bleef een geschikt en noodzakelijk middel om de openbare orde en het woon- en leefklimaat te herstellen en herhaling te voorkomen. Financiële gevolgen en dreiging van faillissement waren onvoldoende concreet onderbouwd. Het verzoek werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot voortijdige opheffing van de sluiting van de avondwinkel wordt afgewezen; de sluiting blijft gehandhaafd tot 28 december 2025.