ECLI:NL:RBROT:2025:14322

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
ROT 25/8913
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening bijstandsuitkering wegens onvoldoende bewijs besteding vermogen na echtscheiding

Verzoekster, een alleenstaande vrouw die na een scheiding een groot bedrag aan overwaarde van de echtelijke woning ontving, vroeg opnieuw een bijstandsuitkering aan nadat zij had verklaard het vermogen volledig te hebben opgebruikt. Het college weigerde de uitkering omdat zij niet met objectief verifieerbare bewijsstukken kon aantonen hoe zij het bedrag van € 52.164,03 had besteed, met name het contant opgenomen bedrag van ruim € 22.000.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening en oordeelde dat de bewijslast bij verzoekster ligt. Hoewel zij een deel van de bestedingen met verklaringen en bewijsstukken onderbouwde, bleef een aanzienlijk bedrag onverklaard. De rechter achtte het bedrag te groot om zonder bewijs te accepteren dat het volledig was besteed.

Verzoekster stelde dat het geld grotendeels was gebruikt voor het terugbetalen van leningen, medische kosten in Turkije en betalingen aan haar ex-man, maar kon dit niet volledig met bewijsstukken onderbouwen. De voorzieningenrechter nam het spoedeisend belang aan maar zag geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, mede omdat verzoekster nog enige financiële ondersteuning van haar kinderen ontving en geen schulden kon aantonen.

De uitspraak betekent dat verzoekster geen bijstandsuitkering of voorschot daarop ontvangt totdat op het bezwaar is beslist. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor een bijstandsuitkering wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van besteding van het vermogen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/8913
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 november 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], uit Rotterdam, verzoekster

(gemachtigde: mr. F. Çelen),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. W. Breure en mr. T. Baltus).

Inleiding

1.1.
Verzoekster heeft op 7 juli 2025 een bijstandsuitkering aangevraagd. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 26 september 2025 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, [naam 1] (begeleider van verzoekster) en de gemachtigden van het college. Als tolk is verschenen, [naam 2].
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?
2. Verzoekster is een alleenstaande vrouw. Op 2 september 2024 is zij, na een scheiding van tafel en bed, definitief van haar ex-man gescheiden. Verzoekster woont sinds 16 juni 2024 in een huurwoning op het adres [adres]. Van 20 juni 2024 tot en met 7 januari 2025 heeft zij op dit adres een bijstandsuitkering ontvangen.
3. Op 8 januari 2025 heeft verzoekster een groot bedrag (€ 52.164,03) op haar bankrekening gestort gekregen. Het gaat hier om de helft van de overwaarde uit de verkoop van de echtelijke woning. Met het besluit van 17 juni 2025 heeft het college de bijstandsuitkering van verzoekster per 8 januari 2025 ingetrokken.
4. Op 7 juli 2025 heeft verzoekster zich opnieuw gemeld voor het aanvragen van een bijstandsuitkering. Bij haar aanvraag heeft verzoekster opgegeven dat het op 8 januari 2025 gestorte bedrag inmiddels helemaal is opgemaakt.
4.1.
Met de brieven van 1 september 2025 en 9 september 2025 heeft het college verzoekster om de volgende informatie gevraagd:
- Verzoekster dient met objectieve en verifieerbare bewijsstukken aan te tonen waaraan zij het totaalbedrag van € 52.164,03 heeft uitgegeven. Alleen een schriftelijke
verklaring is niet voldoende.
- Indien zij dit geld contant heeft opgenomen bij de bank, dan dient zij van al deze (pin)transacties de bankafschriften in te leveren en met objectieve en verifieerbare bewijsstukken aan te tonen wat zij met het (gepinde) geld heeft gedaan.
4.2.
Op 9 september 2025 heeft verzoekster diverse bewijsstukken overgelegd, waaronder verklaringen van familieleden over leningen, kassabonnen, kopieën van facturen en afschriften van haar betaalrekening over de periode van 1 januari 2025 tot en met 3 september 2025.
Waar gaat deze zaak om?
5. Het college stelt zich op het standpunt dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in bijstand behoevende omstandigheden verkeert, omdat zij niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken heeft aangetoond hoe zij het op 8 januari 2025 verkregen vermogen van € 52.164,03 precies heeft besteed. Met de overgelegde bewijsstukken heeft verzoekster weliswaar een deel van de bestedingen verklaard, maar daarmee is nog steeds niet aangetoond waaraan zij de bedragen die zij contant van de betaalrekening heeft opgenomen – in totaal € 22.090,- – heeft uitgegeven. Het college gaat er daarom vanuit dat verzoekster nog over dit geld kan beschikken en hiermee in haar levensonderhoud kan voorzien.
6. Verzoekster is het hier niet mee eens en wil met haar verzoek bereiken dat haar een bijstandsuitkering, of een voorschot daarop, wordt toegekend totdat op het bezwaar is beslist. Verzoekster is van mening dat zij met de overgelegde bewijsstukken en alle verklaringen voldoende heeft aangetoond dat zij geen vermogen meer heeft om in haar levensonderhoud te voorzien en haar vaste lasten te voldoen. Het vermogensbedrag van € 52.164,03 is vrijwel geheel opgegaan aan het terugbetalen van leningen. Het contant opgenomen bedrag van ruim € 22.000,- heeft zij (deels) gebruikt voor het contant terugbetalen van geleende bedragen en voor het voldoen van medische kosten (naar schatting € 8.000) tijdens haar verblijf in Turkije. Daarnaast heeft zij een contant bedrag van € 5000,- aan haar ex-man betaald. Dit is schriftelijk door hem bevestigd. Nadat het vermogensbedrag op haar bankrekening was gestort, is verzoekster door haar ex-man onder druk gezet om een deel van de door hem betaalde vaste lasten aan hem terug te betalen. Verzoekster kan van de contante uitgaven geen bewijsstukken (meer) overleggen.
Spoedeisend belang
7. De weigering van het college om verzoekster een bijstandsuitkering toe te kennen betekent in beginsel dat verzoekster op dit moment geen inkomsten heeft om van te leven. Verzoekster heeft op de zitting verklaard dat zij op dit moment leeft van de maandelijkse huur- en zorgtoeslag en van het geld dat haar kinderen haar lenen. De toeslagen zijn echter niet toereikend om de vaste lasten te kunnen betalen. De voorzieningenrechter neemt daarom het spoedeisend belang in deze zaak wel aan en zal de zaak inhoudelijk beoordelen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
8. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
9. Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op een bijstandsuitkering. De bewijslast van deze bijstandbehoevendheid rust dus op de aanvrager. Deze moet inzicht geven in zijn of haar woon- en leefsituatie en financiële situatie. Vervolgens is het aan het bijstand verlenend orgaan (het college) om de verstrekte gegevens op juistheid en volledigheid te controleren en zo nodig te verifiëren. Als de aanvrager van bijstand niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag. [1]
10. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster zich zes maanden na de ontvangst van het vermogensbedrag van € 52.164,03 weer bij het college heeft gemeld voor het aanvragen van een nieuwe bijstandsuitkering. Daarbij gaf zij als reden op dat het geld op is en zij daarom niet langer in haar levensonderhoud kan voorzien. Dan is voorstelbaar dat het college van verzoekster wil weten waar zij het geld zoal aan heeft besteed. De bewijslast daarvoor rust bij verzoekster.
10.1.
De voorzieningenrechter volgt het college in het standpunt dat verzoekster niet (volledig) in de op haar rustende bewijslast is geslaagd. Op de overgelegde bankafschriften is te zien dat een deel van het op 8 januari 2025 gestorte bedrag weer van de betaalrekening is afgeschreven. Deze afschrijvingen komen ook overeen met een deel van de overgelegde bewijsstukken. Een ander deel van het gestorte bedrag, een bedrag van ruim € 22.000,-, heeft verzoekster contant opgenomen. Het college heeft verzoekster tot tweemaal toe in de gelegenheid gesteld om aan te tonen waaraan zij het contant opgenomen bedrag heeft besteed. Voor een deel van dat bedrag heeft verzoekster een verklaring gegeven, maar geen stukken overgelegd die deze verklaringen kunnen ondersteunen. De voorzieningenrechter zou ervoor kunnen kiezen om verzoekster zonder meer in haar verklaringen te volgen en over dit bedrag heen te stappen, maar het bedrag is daarvoor veel te groot. Ook als de voorzieningenrechter, gezien de verklaring van de ex-man, aanneemt dat verzoekster haar ex-man een bedrag van € 5000,- heeft betaald, en ook als de voorzieningenrechter verzoekster volgt in de verklaring dat zij in Turkije een bedrag van circa € 8000,- heeft uitgegeven aan medische kosten, dan blijft er nog steeds een aanzienlijk bedrag aan contante opnames over waarvan zij niet heeft aangetoond of aannemelijk gemaakt waaraan zij dit bedrag heeft besteed.
10.2.
Het college hoeft alleen bijstand te verlenen als iemand in bijstand behoeftige omstandigheden verkeert. Als gezegd is het aan verzoekster om aannemelijk te maken dat dit in haar situatie het geval is. De voorzieningenrechter gaat er niet vanuit dat verzoekster niet de waarheid spreekt, maar aanzien het hier om een groot geldbedrag gaat mag wel van verzoekster worden verwacht dat zij, met objectief verifieerbare bewijsstukken of met concrete en gedetailleerde verklaringen, aannemelijk maakt waaraan zij dat bedrag heeft besteed. Dat verzoekster € 8000,- heeft uitgegeven aan spoedeisende hulp in Turkije is bijvoorbeeld iets wat zij met (financiële) bewijsstukken moet kunnen onderbouwen. Dat mag het college wel zwaar in de beoordeling laten meewegen.
11. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Daarom heeft de voorzieningenrechter ook gekeken hoe verzoekster in de (resterende) drie maanden, die zij volgens het college nog op het vermogen moet interen, moet rondkomen. De voorzieningenrechter heeft geen bewijzen gezien van schulden en gaat er daarom vanuit dat verzoekster op dit moment nog wel in haar levensonderhoud kan voorzien. De kinderen van verzoekster hebben eerder (financieel) bijgesprongen. De voorzieningenrechter verwacht dat dit ook voor de resterende maanden, dan wel tot het besluit op bezwaar, niet onmogelijk hoeft te zijn.

Conclusie en gevolgen

12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster geen bijstandsuitkering krijgt, of voorschotten daarop. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
13. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2025 door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 25 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:802