4.2.Op 9 september 2025 heeft verzoekster diverse bewijsstukken overgelegd, waaronder verklaringen van familieleden over leningen, kassabonnen, kopieën van facturen en afschriften van haar betaalrekening over de periode van 1 januari 2025 tot en met 3 september 2025.
5. Het college stelt zich op het standpunt dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in bijstand behoevende omstandigheden verkeert, omdat zij niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken heeft aangetoond hoe zij het op 8 januari 2025 verkregen vermogen van € 52.164,03 precies heeft besteed. Met de overgelegde bewijsstukken heeft verzoekster weliswaar een deel van de bestedingen verklaard, maar daarmee is nog steeds niet aangetoond waaraan zij de bedragen die zij contant van de betaalrekening heeft opgenomen – in totaal € 22.090,- – heeft uitgegeven. Het college gaat er daarom vanuit dat verzoekster nog over dit geld kan beschikken en hiermee in haar levensonderhoud kan voorzien.
6. Verzoekster is het hier niet mee eens en wil met haar verzoek bereiken dat haar een bijstandsuitkering, of een voorschot daarop, wordt toegekend totdat op het bezwaar is beslist. Verzoekster is van mening dat zij met de overgelegde bewijsstukken en alle verklaringen voldoende heeft aangetoond dat zij geen vermogen meer heeft om in haar levensonderhoud te voorzien en haar vaste lasten te voldoen. Het vermogensbedrag van € 52.164,03 is vrijwel geheel opgegaan aan het terugbetalen van leningen. Het contant opgenomen bedrag van ruim € 22.000,- heeft zij (deels) gebruikt voor het contant terugbetalen van geleende bedragen en voor het voldoen van medische kosten (naar schatting € 8.000) tijdens haar verblijf in Turkije. Daarnaast heeft zij een contant bedrag van € 5000,- aan haar ex-man betaald. Dit is schriftelijk door hem bevestigd. Nadat het vermogensbedrag op haar bankrekening was gestort, is verzoekster door haar ex-man onder druk gezet om een deel van de door hem betaalde vaste lasten aan hem terug te betalen. Verzoekster kan van de contante uitgaven geen bewijsstukken (meer) overleggen.
7. De weigering van het college om verzoekster een bijstandsuitkering toe te kennen betekent in beginsel dat verzoekster op dit moment geen inkomsten heeft om van te leven. Verzoekster heeft op de zitting verklaard dat zij op dit moment leeft van de maandelijkse huur- en zorgtoeslag en van het geld dat haar kinderen haar lenen. De toeslagen zijn echter niet toereikend om de vaste lasten te kunnen betalen. De voorzieningenrechter neemt daarom het spoedeisend belang in deze zaak wel aan en zal de zaak inhoudelijk beoordelen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
8. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
9. Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op een bijstandsuitkering. De bewijslast van deze bijstandbehoevendheid rust dus op de aanvrager. Deze moet inzicht geven in zijn of haar woon- en leefsituatie en financiële situatie. Vervolgens is het aan het bijstand verlenend orgaan (het college) om de verstrekte gegevens op juistheid en volledigheid te controleren en zo nodig te verifiëren. Als de aanvrager van bijstand niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag.
10. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster zich zes maanden na de ontvangst van het vermogensbedrag van € 52.164,03 weer bij het college heeft gemeld voor het aanvragen van een nieuwe bijstandsuitkering. Daarbij gaf zij als reden op dat het geld op is en zij daarom niet langer in haar levensonderhoud kan voorzien. Dan is voorstelbaar dat het college van verzoekster wil weten waar zij het geld zoal aan heeft besteed. De bewijslast daarvoor rust bij verzoekster.