ECLI:NL:RBROT:2025:14322
Rechtbank Rotterdam
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bijstandsuitkering wegens onvoldoende bewijs besteding vermogen na echtscheiding
Verzoekster, een alleenstaande vrouw die na een scheiding een groot bedrag aan overwaarde van de echtelijke woning ontving, vroeg opnieuw een bijstandsuitkering aan nadat zij had verklaard het vermogen volledig te hebben opgebruikt. Het college weigerde de uitkering omdat zij niet met objectief verifieerbare bewijsstukken kon aantonen hoe zij het bedrag van € 52.164,03 had besteed, met name het contant opgenomen bedrag van ruim € 22.000.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening en oordeelde dat de bewijslast bij verzoekster ligt. Hoewel zij een deel van de bestedingen met verklaringen en bewijsstukken onderbouwde, bleef een aanzienlijk bedrag onverklaard. De rechter achtte het bedrag te groot om zonder bewijs te accepteren dat het volledig was besteed.
Verzoekster stelde dat het geld grotendeels was gebruikt voor het terugbetalen van leningen, medische kosten in Turkije en betalingen aan haar ex-man, maar kon dit niet volledig met bewijsstukken onderbouwen. De voorzieningenrechter nam het spoedeisend belang aan maar zag geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, mede omdat verzoekster nog enige financiële ondersteuning van haar kinderen ontving en geen schulden kon aantonen.
De uitspraak betekent dat verzoekster geen bijstandsuitkering of voorschot daarop ontvangt totdat op het bezwaar is beslist. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor een bijstandsuitkering wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van besteding van het vermogen.