ECLI:NL:CRVB:2023:802
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.T.H. Zimmerman
- J.J. Janssen
- C.E.M. Marsé
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand en terugvordering voorschotten wegens onvoldoende duidelijkheid over vermogen in Turkije
Appellante vroeg bijstand aan bij het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Het college wees de aanvraag af en vorderde verstrekte voorschotten terug omdat appellante onvoldoende duidelijkheid gaf over haar vermogen, met name over vier onroerende zaken in Turkije die op haar naam stonden geregistreerd.
In eerdere procedures was vastgesteld dat appellante redelijkerwijs kon beschikken over deze onroerende zaken. Appellante leverde onvoldoende concrete en verifieerbare informatie aan waaruit bleek of zij nog over deze onroerende zaken of de opbrengst daarvan kon beschikken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad overwoog dat de bewijslast van bijstandbehoevendheid bij appellante ligt en dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij recht heeft op bijstand. De verstrekte verklaringen en documenten waren onvoldoende en niet objectief of verifieerbaar. De terugvordering van voorschotten is rechtmatig op grond van artikel 58 PW Pro.
Het hoger beroep slaagde niet, waardoor de afwijzing van de aanvraag en de terugvordering van voorschotten in stand bleven. Appellante kreeg geen proceskostenvergoeding of terugbetaling van griffierecht.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijstand en de terugvordering van verstrekte voorschotten worden bevestigd wegens onvoldoende aannemelijkheid van bijstandbehoevendheid.