Eiser vordert in kort geding dat de Belastingdienst zijn inbeslaggenomen Volvo V70 teruggeeft of verdere invorderingsmaatregelen schorst, omdat hij meent dat de inbeslagname onrechtmatig was. De auto was in juli 2025 in beslag genomen wegens openstaande belastingschulden en in september 2025 executoriaal verkocht, waarbij de opbrengst is verrekend met de schulden.
De Belastingdienst voert verweer tegen de ontvankelijkheid en bevoegdheid van de kantonrechter, maar verschijnt vrijwillig en voert inhoudelijk verweer. De kantonrechter oordeelt dat eiser ontvankelijk is omdat de vorderingen feitelijk tegen de Ontvanger van de Belastingdienst zijn gericht, en dat de kantonrechter bevoegd is gezien de waarde van de zaak onder de €25.000.
De kern van het geschil is de opschorting van de executie, maar aangezien de verkoop van de auto al is voltooid en de opbrengst is verrekend, kan de executie niet meer worden geschorst. Daarom wijst de kantonrechter de vorderingen af en veroordeelt eiser in de proceskosten van €135,-.