ECLI:NL:RBROT:2025:14355

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
11860091 VV EXPL 25-514
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executiegeschil na inbeslagname en verkoop van een auto door de Belastingdienst

In deze zaak, die zich afspeelt voor de Rechtbank Rotterdam, betreft het een kort geding dat is aangespannen door [eiser] tegen de Ontvanger van de Belastingdienst. De zaak is ontstaan na de inbeslagname en verkoop van de auto van [eiser], een Volvo V70, door de Belastingdienst vanwege openstaande belastingaanslagen. De auto werd op 10 juli 2025 in beslag genomen en op 1 september 2025 verkocht. [eiser] eiste in zijn vordering dat de auto binnen 24 uur na betekening van het vonnis zou worden teruggegeven, of dat verdere invorderingsmaatregelen zouden worden opgeschort totdat aan bepaalde voorwaarden was voldaan. De kantonrechter heeft de vorderingen van [eiser] afgewezen, omdat de executie van de verkoop van de auto al was voltooid. De kantonrechter oordeelde dat [eiser] ontvankelijk was in zijn vorderingen, ondanks dat de Belastingdienst had aangevoerd dat hij de Ontvanger had moeten dagvaarden. De kantonrechter heeft de proceskosten aan [eiser] opgelegd, omdat hij ongelijk kreeg in deze procedure. Het vonnis is op 8 december 2025 uitgesproken door mr. M. Fiege.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11860091 VV EXPL 25-514
datum uitspraak: 8 december 2025
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
eiser,
gemachtigde: de heer [persoon A] ,
tegen
de Ontvanger van de Belastingdienst,
kantoor Rotterdam,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
vertegenwoordigd door: de heer [persoon B] .
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘de Belastingdienst’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 22 september 2025, met bijlagen;
  • de nagezonden productie 5 van [eiser] ;
  • de pleitnota van de Belastingdienst, die op 6 november 2025 is toegezonden, met bijlagen;
  • de spreekaantekeningen die de gemachtigde van [eiser] op de zitting van 24 november 2025 heeft overgelegd.
1.2.
Op 30 september 2025 is de zaak tijdens een zitting met [eiser] en zijn gemachtigde besproken. De Belastingdienst is toen niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend. Dit verstek heeft de Belastingdienst bij brief van 6 oktober 2025 gezuiverd. Daarna is de zaak op 24 november 2025 tijdens een zitting besproken. Daarbij was namens [eiser] zijn gemachtigde aanwezig. Namens de Belastingdienst waren aanwezig de heer [persoon C] (Ontvanger) en de heer [persoon B] (invorderingsspecialist).

2.De beoordeling

Waar gaat deze zaak over?
2.1.
Op 10 juli 2025 is door of vanwege de Belastingdienst de auto van [eiser] , een Volvo V70 met kenteken [kentekennummer] , in beslag genomen. Reden voor deze inbeslagname was het open staan van diverse aanslagen voor de motorrijtuigenbelasting, inkomstenbelasting, omzetbelasting en loonheffing. De auto is op 1 september 2025 door de Belastingdienst (executoriaal) verkocht en de opbrengst is verrekend met de openstaande bedragen.
2.2.
[eiser] vindt dat de Belastingdienst zijn auto niet in beslag had mogen nemen en eist primair dat de Belastingdienst de auto binnen 24 uur na betekening van het vonnis teruggeeft, op straffe van een dwangsom. Subsidiair eist hij dat het de Belastingdienst wordt verboden om verdere invorderingsmaatregelen te treffen totdat 1) een authentiek dwangbevel wordt overgelegd, en 2) een geldig mandaatbesluit uit het Centraal Bevoegdhedenregister wordt overgelegd en 3) inhoudelijk en deugdelijk is beslist op de ingediende bezwaarschriften. Meer subsidiair eist [eiser] dat de invordering wordt opgeschort en de auto wordt teruggegeven totdat onherroepelijk is beslist in de bezwaar- en eventuele beroepsprocedures.
2.3.
De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] af, omdat de executie (de verkoop van de auto) is voltooid. Die beslissing wordt hieronder toegelicht.
[eiser] is ontvankelijk in zijn vorderingen
2.4.
De kantonrechter moet allereerst oordelen over de ontvankelijkheid van [eiser] . In de dagvaarding staat als gedaagde partij De Belastingdienst vermeld. Volgens de Belastingdienst is [eiser] niet-ontvankelijk, omdat hij de Ontvanger van de Belastingdienst had moeten dagvaarden. De kantonrechter gaat aan dat verweer voorbij. De Belastingdienst is (alsnog) vrijwillig verschenen en heeft inhoudelijk verweer gevoerd tegen de vorderingen van [eiser] . Uit dat verweer blijkt dat duidelijk is dat de vorderingen van [eiser] zich richten tegen de Ontvanger en dat de basis daarvoor gelegen is in executiemaatregelen die zijn genomen op basis van door de Ontvanger uitgevaardigde dwangbevelen. De kantonrechter heeft de partijaanduiding in dit vonnis in overeenstemming gebracht met de werkelijkheid (zie Hoge Raad 11 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4198).
De kantonrechter is bevoegd
2.5.
De Belastingdienst vindt ook dat de kantonrechter onbevoegd is, omdat de vorderingen van [eiser] van onbepaalde waarde zijn. [eiser] heeft uitgelegd dat het gaat om de executie van een auto met een waarde van minder dan € 25.000,-. De Belastingdienst heeft zelf gesteld dat de auto is verkocht voor een bedrag van € 531,-. De kantonrechter is daarom bevoegd op grond van artikel 93 onder b Rv (in combinatie met artikel 438 lid 2 Rv)
Geen schorsing executiemaatregelen mogelijk
2.6.
De vorderingen die [eiser] heeft ingesteld komen erop neer dat hij wil dat de executie van de dwangbevelen voor zover het gaat om de Volvo met kenteken [kentekennummer] worden geschorst. Hij wil immers of de auto terug, of dat de kantonrechter de Belastingdienst verbiedt verdere invorderingsmaatregelen te nemen ten aanzien van deze Volvo, of dat de executie wordt opgeschort totdat op de bezwaren tegen de aanslagen motorrijtuigenbelasting zal zijn beslist. De gemachtigde van [eiser] heeft desgevraagd – tijdens de eerste zitting – bevestigd dat zijn vorderingen inderdaad zo bedoeld zijn en dat het alleen gaat om de Volvo. Tijdens de tweede zitting heeft de gemachtigde van [eiser] nogmaals bevestigd dat [eiser] wil dat de kantonrechter beslist op het petitum zoals opgenomen onder het kopje “mitsdien” in de dagvaarding.
2.7.
De vorderingen van [eiser] worden afgewezen, omdat de executie niet meer geschorst kan worden. De executie is al volledig voltooid. De Volvo is verkocht en de opbrengst is in mindering gebracht op de openstaande bedragen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
2.8.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [eiser] aan de Belastingdienst moet betalen op € 135,- aan salaris voor de gemachtigde.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vorderingen af;
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van de Belastingdienst worden begroot op € 135,-.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
51909