In deze zaak, die zich afspeelt voor de Rechtbank Rotterdam, betreft het een kort geding dat is aangespannen door [eiser] tegen de Ontvanger van de Belastingdienst. De zaak is ontstaan na de inbeslagname en verkoop van de auto van [eiser], een Volvo V70, door de Belastingdienst vanwege openstaande belastingaanslagen. De auto werd op 10 juli 2025 in beslag genomen en op 1 september 2025 verkocht. [eiser] eiste in zijn vordering dat de auto binnen 24 uur na betekening van het vonnis zou worden teruggegeven, of dat verdere invorderingsmaatregelen zouden worden opgeschort totdat aan bepaalde voorwaarden was voldaan. De kantonrechter heeft de vorderingen van [eiser] afgewezen, omdat de executie van de verkoop van de auto al was voltooid. De kantonrechter oordeelde dat [eiser] ontvankelijk was in zijn vorderingen, ondanks dat de Belastingdienst had aangevoerd dat hij de Ontvanger had moeten dagvaarden. De kantonrechter heeft de proceskosten aan [eiser] opgelegd, omdat hij ongelijk kreeg in deze procedure. Het vonnis is op 8 december 2025 uitgesproken door mr. M. Fiege.