In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 17 december 2025 uitspraak gedaan in een huurgeschil tussen Stichting Hef Wonen en twee gedaagden, die niet in de procedure zijn verschenen. De eiseres, Hef Wonen, vorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning vanwege een huurachterstand van € 7.007,85. Na eisvermindering heeft Hef Wonen de vordering aangepast en vorderde zij nog slechts € 918,88, met een resterende huurachterstand van € 464,44. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis verstek verleend tegen de gedaagden en geoordeeld dat de resterende huurachterstand moet worden betaald. De kantonrechter heeft echter de gevorderde incassokosten afgewezen, omdat er sprake was van een oneerlijke bepaling in de huurovereenkomst. Ook de vordering tot ontbinding en ontruiming is afgewezen, omdat de huurachterstand kort na de dagvaarding bijna volledig was ingelopen. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst op dat moment van onvoldoende betekenis was om ontbinding te rechtvaardigen. De gedaagden zijn hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het resterende bedrag van € 464,44 en de proceskosten zijn begroot op € 1.163,43. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.