De zaak betreft een geschil tussen Stichting Hef Wonen en twee huurders over een huurachterstand en de gevolgen daarvan. Hef Wonen vorderde aanvankelijk ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van de woning, betaling van een huurachterstand van €7.007,85, incassokosten en rente. Na eisvermindering resteerde een vordering van €918,88.
De huurders betaalden kort na de dagvaarding een groot deel van de achterstand, waardoor nog slechts €464,44 openstond. De rechtbank oordeelde dat de incassokosten niet konden worden toegewezen vanwege een oneerlijk beding in de huurovereenkomst. De huurprijsverhogingen waren correct op basis van CPI-indexering, maar het opslagbeding werd vernietigd als oneerlijk.
Gezien de bijna volledige betaling en het geringe resterende bedrag, vond de rechtbank dat de tekortkoming onvoldoende ernstig was om ontbinding en ontruiming te rechtvaardigen. De huurders werden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de resterende €464,44 met wettelijke rente en de proceskosten van €1.163,43. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.