De rechtbank Rotterdam behandelt een tweede tussenuitspraak in een bestuursrechtelijke zaak over een handhavingsverzoek van eiseres tegen een warmteleverancier, afgewezen door de ACM. In een eerdere tussenuitspraak werd vastgesteld dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevatte. De ACM heeft een wijzigingsbesluit genomen waarin het motiveringsgebrek deels werd aangepakt, maar de rechtbank oordeelt dat dit onvoldoende is.
De kern van het geschil betreft de motivering van de montagekosten voor verschillende typen afleversets (type B en C). De ACM stelt dat de montagehandelingen nagenoeg gelijk zijn en daarom geen onderscheid in montagekosten wordt gemaakt, terwijl eiseres dit betwist vanwege de aanwezigheid van een warmtewisselaar in type C. Ook het gebruik van de mediaan voor schouwkosten versus het gemiddelde voor montagekosten wordt door de rechtbank niet als voldoende gemotiveerd beschouwd.
De rechtbank geeft de ACM een termijn van zes weken om het motiveringsgebrek te herstellen met een nadere motivering over de montagekosten en de gehanteerde methode voor het bepalen van de tarieven. De procedure blijft beperkt tot de reeds besproken beroepsgronden en verdere beslissingen worden aangehouden tot de einduitspraak.