ECLI:NL:RBROT:2025:14522

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
C/10/696880 / JE RK 25-639 en C/10/705884 / JE RK 25/1800
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van minderjarigen in het kader van jeugdbescherming

Op 15 oktober 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam een beschikking gegeven in de zaken C/10/696880 / JE RK 25-639 en C/10/705884 / JE RK 25/1800. De beschikking betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2], en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1]. De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkeling van de kinderen ernstig wordt bedreigd en dat de betrokken gecertificeerde instelling, Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, noodzakelijk blijft voor ondersteuning en onderzoek naar contactherstel met de vader. De ouders beheersen de Nederlandse taal niet, wat het zelfstandig organiseren van hulpverlening bemoeilijkt. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd wordt tot 22 april 2026, en dat [minderjarige 1] in een netwerkpleegzorgvoorziening bij de stiefmoeder geplaatst zal worden. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De beschikking is openbaar uitgesproken en op schrift gesteld op 22 oktober 2025.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/696880 / JE RK 25-639 en C/10/705884 / JE RK 25/1800
Datum uitspraak: 15 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de GI, gevestigd in Rotterdam,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats] , [geboorteland] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats] , [geboorteland] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de (stief)moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. P.V. Hübner, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
Ten aanzien van C/10/696880 / JE RK 25-639
  • de tussenbeschikking van 18 april 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de briefrapportage van de GI van 28 augustus 2025.
Ten aanzien van C/10/705884 / JE RK 25/1800
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 28 augustus 2025, binnengekomen bij de rechtbank op 29 augustus 2025.
1.2.
Op 15 oktober 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de (stief)moeder bijgestaan door haar advocaat;
- de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam 1] .
1.3.
Aangezien de ouders de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de taal Dari, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van een tolk, [naam 2] , tolk in de taal Dari. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren

2.De feiten

2.1.
De vader is eenhoofdig belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . De moeder en de vader zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun (stief)moeder.
2.3.
Bij beschikking van 18 april 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 22 oktober 2025.

3.De (aangehouden) verzoeken

Ten aanzien van C/10/696880 / JE RK 25-639
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Bij beschikking van 18 april 2025 is de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van zes maanden, te weten tot 22 oktober 2025 en voor het overige verzochte aangehouden Nu moet nog beslist worden op de ondertoezichtstelling tot 22 april 2026.
Ten aanzien van C/10/705884 / JE RK 25/1800
3.3.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor netwerkpleegzorg, te weten bij stiefmoeder voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.4.
De GI handhaaft ter zitting de verzoeken en licht dit als volgt toe. Er bestaan zorgen over de identiteitsontwikkeling van de kinderen, aangezien er in het geheel geen contact is met de vader. In de komende periode zal worden onderzocht of contactherstel tussen de vader en de kinderen mogelijk is. Met de kinderen is besproken dat de bezoeken onder begeleiding van de GI op kantoor kunnen worden opgestart. Op die manier is de vader daar ook aanwezig, voor het geval zijn handtekening nodig is.

4.Het standpunt van de (stief)moeder

4.1.
Door en namens de (stief)moeder wordt naar voren gebracht dat de reden van de ondertoezichtstelling is gelegen in het ontbreken van contact tussen de kinderen en de vader. Dat vormt wel een grond voor de ondertoezichtstelling, maar de vraag is of dat contact ook tot stand zal komen. Het is onduidelijk welke stappen hiervoor worden gezet. De vader is onbereikbaar voor de GI, omdat hij geen telefoon heeft, in de opvang verblijft, de Nederlandse taal niet spreekt en analfabeet is. Gelet hierop is dit in ieder geval voor [minderjarige 2] , onvoldoende voor verlenging van de ondertoezichtstelling. Wat betreft [minderjarige 1] speelt nog het punt van het wonen bij haar stiefmoeder. Dat is van groot belang omdat [minderjarige 1] haar stiefmoeder als haar moeder beschouwt. Het is belangrijk dat de stiefmoeder beslissingen over haar kan nemen, met de GI als paraplu.

5.Het standpunt van de vader

5.1.
De vader brengt naar voren dat hij hulpverlening ontvangt. Soms praat hij met iemand over zijn psychische problemen. De vader verlangt ernaar [minderjarige 1] te zien omdat hij haar al een jaar moet missen. De vader heeft sinds kort een telefoon maar spreekt de Nederlandse taal niet en is analfabeet.

6.De beoordeling

Ten aanzien van C/10/696880 / JE RK 25-639
6.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.2.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Sinds het uiteengaan van de ouders is er geen contact meer tussen de kinderen en hun vader. Dit gebrek aan contact is zorgelijk met het oog op de identiteitsontwikkeling van de kinderen. De kinderen hebben aangegeven geen contact te willen met hun vader vanwege incidenten die hebben plaatsgevonden toen hij nog thuis woonde. Sinds het vertrek van de vader lijkt er sprake van meer rust en stabiliteit. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan op dit moment niet met vrijwillige hulpverlening worden weggenomen. Beide ouders beheersen de Nederlandse taal niet, waardoor het zelfstandig organiseren van hulpverlening lastig is. De regie van de GI blijft noodzakelijk om passende ondersteuning te bieden en te onderzoeken of contactherstel met de vader in het belang van de kinderen is. Ook moet worden onderzocht in hoeverre de vader zijn gezag kan uitoefenen en hoe zijn vaderrol vormgegeven kan worden.
6.3.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de resterende duur van zes maanden.
Ten aanzien van C/10/705884 / JE RK 25/1800
6.4.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [2]
6.5.
[minderjarige 1] woonde samen met onder andere haar vader en (stief)moeder in één woning. Na de scheiding tussen de vader en de (stief)moeder in mei 2025 heeft de vader de woning moeten verlaten, omdat deze aan de (stief)moeder is toegewezen. Met mondelinge toestemming van de vader verblijft [minderjarige 1] sindsdien bij de (stief)moeder. Alle betrokkenen zijn het erover eens dat dit verblijf moet worden voortgezet. Aangezien de (stief)moeder geen gezag heeft over [minderjarige 1] en er sprake is van een ondertoezichtstelling, is voor dit verblijf een machtiging tot uithuisplaatsing vereist.
6.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
Ten aanzien van C/10/696880 / JE RK 25-639
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 22 april 2026;
Ten aanzien van C/10/705884 / JE RK 25/1800
7.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor netwerkpleegzorg, te weten bij de stiefmoeder met ingang van 15 oktober 2025 tot 22 april 2026;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025 door
mr. M.C. Woudstra, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 22 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.