ECLI:NL:RBROT:2025:14546

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 oktober 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
C/10/706543 / JE RK 25-1882
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige met medische problemen

Op 23 oktober 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam een beschikking gegeven in de zaak van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De minderjarige, geboren in 2022, heeft te maken met ernstige medische problemen die zijn ontwikkeling bedreigen. De ouders zijn niet in staat om de benodigde intensieve zorg te bieden, waardoor het verblijf bij het pleeggezin noodzakelijk blijft. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de moeder instemt met het verzoek tot verlenging, maar dat er zorgen zijn over de interactie tussen de moeder en de minderjarige. De pleegouders hebben aangegeven dat de ontwikkeling van de minderjarige positief is, maar dat er nog steeds aandachtspunten zijn. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd voor de duur van een jaar, met de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De beschikking is openbaar uitgesproken en er is een mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/706543 / JE RK 25-1882
Datum uitspraak: 23 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging van een ondertoezichtstelling en een verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,hierna te noemen: de GI, gevestigd in Amsterdam,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
[naam pleegvader] en [naam pleegmoeder] ,
hierna te noemen: de pleegouders, wonende op een voor de rechtbank bekend adres.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam vader] ,
hierna te noemen: de vader, verblijvende op een voor de rechtbank onbekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 17 augustus 2025, binnengekomen bij de rechtbank op 12 september 2025;
  • de brief geen thuisplaatsing van de GI van 20 augustus 2025, binnengekomen bij de rechtbank op 12 september 2025;
  • de toetsing van de Raad van 8 oktober 2025, binnengekomen bij de rechtbank op 22 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- de pleegouders.
1.3.
De GI heeft per e-mail laten weten dat de jeugdbeschermer ziek is en dat er geen vervanging geregeld kon worden voor de zitting.
1.4.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.5.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan [naam] , medewerker van Enver.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een perspectief biedend pleeggezin.
2.3.
Bij beschikking van 22 oktober 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 3 november 2025. Bij die beschikking is tevens de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 3 november 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de moeder

4.1.
De moeder stemt in met het verzoek. [minderjarige] ontwikkelt zich goed, al blijft zijn gezondheid een aandachtspunt. [minderjarige] is een vrolijk, leergierig en nieuwsgierig jongentje. De moeder acht het voor [minderjarige] het beste dat hij bij de pleegouders blijft. Hoewel de moeder het liever anders had gezien, is zij momenteel niet in staat hem te bieden wat hij nodig heeft. Er is wekelijks een bezoekmoment, dat over het algemeen goed verloopt. Soms kan een bezoek niet doorgaan, bijvoorbeeld wanneer de moeder zich niet lekker voelt. De moeder erkent dat de interactie met [minderjarige] meer mag zijn en wil daarom ondersteuning bij de omgang, in de vorm van Video Interactie Begeleiding (hierna: VIB). Deze begeleiding is eerder niet van de grond gekomen vanwege de persoonlijke problematiek van de moeder, waardoor de afspraken werden afgezegd. Daarnaast ervaart de moeder het als lastig dat er vrijwel geen contact is met de jeugdbeschermer, waardoor onvoldoende aandacht wordt besteed aan een zaak die voor de moeder erg belangrijk is.

5.Het standpunt van de pleegouders

5.1.
De pleegouders brengen naar voren dat het eerste jaar waarin zij voor [minderjarige] zorgden zwaar was, vanwege de vele ziekenhuisbezoeken en de intensieve zorg die [minderjarige] nodig had. Inmiddels gaat het beter. [minderjarige] heeft een intensieve traumabehandeling afgerond, waarop hij goed heeft gereageerd. Hij is begonnen met praten, maar is nog steeds bang om alleen te zijn. Wat betreft het contact met de ouders; dit verloopt goed. De ouders doen het erg goed en het is gezellig wanneer Armani meekomt. De bezoeken vinden ongeveer om de week plaats; elke week lukt (nog) niet.

6.De informant

6.1.
De medewerker van Enver geeft aan dat de omgang niet meer wordt begeleid omdat het goed gaat. De medewerker betreurt het dat aan de ondertoezichtstelling geen uitvoering wordt gegeven, doordat de jeugdbeschermer onvoldoende betrokken is.

7.De beoordeling

7.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
7.2.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [minderjarige] is te vroeg geboren en heeft daardoor diverse medische problemen, zoals chronisch darmfalen en longproblemen. Hierdoor heeft hij een extra intensieve zorgvraag. De ouders hebben aangegeven dat zij deze zorg niet kunnen bieden. [minderjarige] verblijft inmiddels twee jaar bij het pleeggezin, waar ook het perspectief voor hem is bepaald. Het versterken van de band met zijn ouders blijft van belang. Eerder heeft de moeder de kans gehad deel te nemen aan VIB, maar vanwege persoonlijke problematiek zijn afspraken afgezegd en is de begeleiding beëindigd. Hoewel de bezoekmomenten die plaatsvinden goed verlopen, wordt ongeveer de helft van de bezoeken afgezegd. Het is positief dat de moeder alsnog open staat voor VIB, maar deze begeleiding moet opnieuw worden aangevraagd door de GI. Op dit moment ervaart de moeder weinig contact met de jeugdbeschermer, terwijl de jeugdbeschermer in het verzoekschrift aangeeft dat het lastig is contact met de moeder te krijgen. Hoe het ook zij, het is van belang dat de GI en de moeder met elkaar gaan samenwerken om onder meer toe te werken naar een beter verloop van de bezoekmomenten.
7.3.
De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
7.4.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van een jaar noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] Alle betrokkenen zijn het erover eens dat het in [minderjarige] zijn belang is dat het verblijf bij de pleegouders wordt voortgezet, omdat de ouders niet in staat zijn te voorzien in zijn extra zorgbehoefte.
7.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

8.De beslissing

De kinderrechter:
8.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 3 november 2026;
8.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 3 november 2026;
8.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2025 door mr. G.M. Paling, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 6 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 Burgerlijk Wetboek.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.