ECLI:NL:RBROT:2025:14655

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
ROT 24/9666
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurlijke boete opgelegd aan slachthuis wegens overtreding hygiënevoorschriften

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 17 december 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure over een opgelegde boete van € 2.500 aan eiseres, een slachthuis, wegens overtreding van hygiënevoorschriften. De boete werd opgelegd door de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, naar aanleiding van een inspectie door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op 12 december 2023. Tijdens deze inspectie werd vastgesteld dat er condensdruppels van een verdamper op goedgekeurde varkenskarkassen vielen, wat een overtreding van de Verordening 852/2004 en de Wet dieren opleverde. Eiseres betwistte de aanwezigheid van condens en voerde aan dat de boete niet passend was, maar de rechtbank oordeelde dat de minister de boete terecht had opgelegd. De rechtbank concludeerde dat de bevindingen van de toezichthouder voldoende waren onderbouwd en dat er geen reden was om aan de juistheid van deze bevindingen te twijfelen. Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard, en de rechtbank oordeelde dat de opgelegde boete in overeenstemming was met het interventiebeleid van de minister en passend was gezien de risico's voor de volksgezondheid.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/9666

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen),
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
(gemachtigde: mr. D.J. van der Bij).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 2.500,- die verweerder met het besluit van 10 mei 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond
.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 24 september 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van verweerder en [naam] , toezichthoudend dierenarts bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Met voorafgaande kennisgeving is namens eiseres niemand verschenen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3.1.
Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 18 december 2023 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. De toezichthouder schrijft in het rapport onder meer het volgende.

Datum en tijdstip van de bevinding: 12 december 2023, omstreeks 10:40 uur.
In het bedrijf aangesproken en in mijn functie bekend bij: [naam] , functie: vestigingsmanager.
Tijdens mijn inspectie bevond ik mij, omstreeks 10:40 uur, in één van de karkassenkoelcellen van het slachthuis. In deze koelcel hangen biggenkarkassen welke bestemd zijn voor humane consumptie, herkenbaar aan het EG-merk op de karkassen. Ik zag dat er in sterke mate condensdruppels aanwezig waren onder de verdamper in deze koelcel, boven de karkassen. Ik zag vervolgens dat er van de verdamper boven de karkassen condensdruppels naar beneden vielen, op de goedgekeurde karkassen. Bovendien was op deze verdamper schimmelvorming zichtbaar aanwezig (zie foto 1, 2 en 3).
Op aanwijzen van de toezichthouder is de condens verwijderd, zijn de biggen geflambeerd en is de ruimte onder de beschimmelde verdamper geblokkeerd.
Condens vanaf een oppervlak kan karkassen verontreinigen. Condens kan potentieel Listeria spp. of andere ziekteverwekkers bevatten.
Ik zag dat de vorming van condens op oppervlakken niet werd voorkomen.
Hieruit bleek mij dat werd gehandeld in strijd met het bepaalde in bijlage II, hoofdstuk I, punt 2b van Verordening (EG) 852/2004 juncto artikel 4 lid 2 van deze verordening, hetgeen een overtreding is van het bepaalde in artikel 2.4 lid 1 onder C van de Regeling dierlijke producten juncto artikel 6.2 lid 1 van de Wetdieren.
Ik zag dat er condens op goedgekeurde karkassen viel. Hierdoor zag ik dat levensmiddelen niet in alle stadia van de verwerking werden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd.
Hieruit bleek mij dat werd gehandeld in strijd met het bepaalde in bijlage II, hoofdstuk IX, punt 3 van Verordening (EG) 852/2004 juncto artikel 4 lid 2 van deze verordening, hetgeen een overtreding is van het bepaalde in artikel 2.4 lid 1 onder C van de Regeling dierlijke producten juncto artikel 6.2 lid 1 van de Wet dieren.
[…]
Ik bracht [naam] , als vestigingsmanager van [eiseres] , van mijn bevindingen op de hoogte en zegde ter zake een rapport van bevindingen aan. Dit is bevestigd per e-mail (zie aanzegging per e-mail).
3.2.
Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd: “Levensmiddelen werden niet in alle stadia van de productie, verwerking en distributie beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor het vlees ongeschikt kan worden voor menselijke consumptie, schadelijk kan worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kan worden verontreinigd dat het redelijkerwijze niet meer in die staat kan worden geconsumeerd.”
Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling dierlijke producten, en met artikel 4, tweede lid, en Bijlage II, hoofdstuk IX, onder 3, van Verordening 852/2004 [1] . Verweerder heeft eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 2.500,-. Dit is het standaardboetebedrag dat daarvoor geldt op grond van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren.

Beoordeling door de rechtbank

4. Eiseres betwist dat sprake was van condens. Dit kan op basis van de foto’s bij het rapport ook niet worden vastgesteld. Verweerder heeft honderden keren bij eiseres gecontroleerd en nimmer een druppeltje condens gezien, zoals verweerder ook in het verweerschrift erkent. Voor zover in dit geval wel sprake zou zijn van condens, dan is een dergelijk ingrijpend besluit als een boete niet passend en rechtmatig. Verweerder had dan ook moeten afzien van het opleggen van een boete, althans moeten volstaan met een waarschuwing dan wel een last onder dwangsom. Verder voert eiseres aan dat in geen van de stadia van de procedure de cautie is verleend en dat evenmin is gewezen op het recht op rechtsbijstand [2] , zodat matiging van de boete moet volgen.
4.1.
In een geval als het onderhavige waarin een boete is opgelegd rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) [3] , mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
4.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de in het rapport beschreven bevindingen te twijfelen. De toezichthouder beschrijft duidelijk wat hij in een karkassenkoelcel heeft waargenomen, namelijk dat er in sterke mate condensdruppels aanwezig waren onder de verdamper en dat er van de verdamper condensdruppels naar beneden vielen op goedgekeurde karkassen. Ook is op de foto’s bij het rapport van bevindingen duidelijk te zien dat druppels zich aan de onderkant van de verdamper bevinden en dat daaronder varkenskarkassen hangen. Ter zitting heeft de rechtbank met de toezichthouder de foto’s bekeken en vastgesteld dat daarop ook te zien is dat zich druppels op de varkenskarkassen bevinden. Eiseres heeft enkel betwist dat sprake was van condens, maar dit niet nader onderbouwd. Ook de stelling dat niet eerder condens bij eiseres is aangetroffen – wat daar ook van zij – maakt niet dat moet worden getwijfeld aan de waarnemingen van de toezichthouder in dit geval. Gelet op de beschrijvingen in het rapport en de daarbij gevoegde foto’s staat voor de rechtbank voldoende vast dat in een koelcel van eiseres condensdruppels op vlees vielen. Zoals verweerder in het bestreden besluit heeft toegelicht kan condens potentieel Listeria spp. of andere ziekteverwekkers (zoals schimmels) bevatten en is het daarmee een potentiële bron van verontreiniging van het vlees. Bovendien zijn condensdruppel na het vallen op vlees niet of nauwelijks meer zichtbaar zodat condens het vlees ook onzichtbaar kan verontreinigen, wat het verwijderen vrijwel onmogelijk maakt. Voor de rechtbank staat voldoende vast dat vlees van de varkenskarkassen in de koelcel door de vallende druppels condens niet was beschermd tegen iedere vorm van verontreiniging waardoor het ongeschikt kon worden voor menselijke consumptie. [4] Verweerder heeft dan ook terecht vastgesteld dat eiseres punt 3 van hoofdstuk IX, van Bijlage II, van Verordening 852/2004 heeft overtreden.
4.3.
Het betoog dat ten onrechte niet is gewezen op het recht op rechtsbijstand en dat ten onrechte niet de cautie is gegeven, slaagt niet. Uit het rapport van bevindingen blijkt namelijk niet dat de toezichthouder personen heeft verhoord als bedoeld in artikel 5:10a van de Algemene wet bestuursrecht, noch dat medewerkers van eiseres verklaringen over de feiten en omstandigheden met betrekking tot de gestelde overtredingen hebben afgelegd. [5] Ook is niet gebleken dat nadien nog personeel van eiseres is gehoord. Wel heeft een hoorzitting in bezwaar plaatsgevonden, maar daarbij was alleen de gemachtigde van eiseres aanwezig.
4.4.. Nu verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres de overtreding heeft begaan, was verweerder bevoegd [6] om eiseres daarvoor een boete op te leggen. In het interventiebeleid van verweerder is neergelegd hoe verweerder met die boetebevoegdheid omgaat. In dit geval is het Specifiek interventiebeleid Vlees [7] van toepassing en daarin is deze overtreding aangemerkt als een ernstige overtreding waarvoor direct een boete wordt opgelegd. Verweerder heeft dus in overeenstemming met zijn interventiebeleid een boete opgelegd en niet volstaan met een waarschuwing. Mede gelet op de risico’s van de overtreding voor de volksgezondheid (zoals hiervoor onder 4.2 beschreven) vindt de rechtbank de oplegging van een boete voor deze overtreding in dit geval ook passend. In de bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren is de standaardboete voor deze overtreding vastgesteld op € 2.500,-. De rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het boetebedrag had moeten worden gematigd. De rechtbank vindt de opgelegde boete in dit geval evenredig.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is dus ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Verordening 852/2004

Artikel 4, tweede lid

2. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met enigerlei stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen dat volgt op de stadia waarop lid 1 van toepassing is, houden zich aan de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II, alsmede aan alle specifieke voorschriften van Verordening (EG) nr. 853/2004.
Bijlage II, hoofdstuk IX, aanhef en punt 3
3. In alle stadia van de productie, verwerking en distributie moeten levensmiddelen worden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd.

Wet dieren

Artikel 6.2, eerste lid
Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.
Artikel 8.7
Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.

Regeling houders van dieren

Artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder c

1. Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn:
c. de artikelen 3 en 4, eerste, tweede en derde lid, 5, eerste lid, tweede lid, laatste alinea, en vierde lid, 6, tweede lid, laatste alinea, en derde lid, van verordening (EG) nr. 852/2004;

Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren

Artikel 2.2, eerste en onder c, en derde lid

1. De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende boetecategorieën vastgesteld:
c. categorie 3: € 2.500;

Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren

Artikel 1.2
De hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig de bedragen die horen bij de boetecategorieën die in de bijlage bij deze regeling voor desbetreffende overtredingen zijn vastgelegd.
Bijlage als bedoeld in artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren
Regeling dierlijke producten Categorie
Artikel 2.4, eerste lid, onderdeel c voor zover dat onderdeel betrekking heeft 3
op de artikelen 3, 4, eerste tot en met derde lid, 5, tweede lid, laatste alinea, en
vierde lid, onderdelen a en b, en artikel 6, derde lid, van verordening (EG)

Voetnoten

1.Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004
2.Eiseres verwijst naar een uitspraak van de Hoge Raad van 6 september 2024
4.Zie ook bijvoorbeeld ECLI:NL:CBB:2025:200
5.Vergelijk ECLI:NL:CBB:2025:335 (r.o. 6.3)
6.Op grond van artikel 8.7 van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 6.2, eerste lid, en artikel 8.6 van de Wet dieren en artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling dierlijke producten
7.IB01-SPEC25 (versie 01) en regel A2 in de Bijlage