ECLI:NL:RBROT:2025:14748

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
FT RK 25/2118 – FT RK 25/2120 - FT RK 25/2121 – FT RK 25/2122
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van een moratorium op basis van artikel 287b Faillissementswet in een huurgeschil

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 12 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoekschriftprocedure op basis van artikel 287b van de Faillissementswet. Verzoekers, die in financiële problemen verkeren, hebben op 26 november 2025 een verzoek ingediend voor een voorlopige voorziening om de tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis te schorsen. De rechtbank heeft vastgesteld dat er sprake is van een bedreigende situatie, aangezien verzoekers een proces-verbaal van ontruiming hebben ontvangen. De rechtbank heeft de belangen van verzoekers, die willen blijven wonen in hun huurwoning, zwaarder laten wegen dan de belangen van de verhuurder, die de ontruiming wil doorzetten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de huurtermijnen voldoende gewaarborgd zijn en heeft het verzoek om een moratorium toegewezen voor de duur van zes maanden. Tevens is verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, maar kan hij in de toekomst een nieuw verzoek indienen. De uitspraak benadrukt de mogelijkheid voor schuldenaren om tijdelijk bescherming te krijgen tegen executie van ontruimingsvonnissen, mits zij aan bepaalde voorwaarden voldoen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 12 december 2025
[verzoeker] &
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoekers.

1.De procedure

Verzoekers hebben op 26 november 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 27 november 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 3 december 2025.
Ter zitting van 3 december 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • verzoekster;
  • de heer mr. J.A. Pearson, werkzaam bij JAW Advocaten (hierna: advocaat);
  • mevrouw J. Franssen, werkzaam bij het Wijkteam Rotterdam (hierna: begeleider);
  • de heer C.M.G.M. van Eijndhoven, h.o.d.n. Bonju Nederland B.V. (hierna: verweerder);
  • de heer J. Ayadi, werkzaam bij Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerder te verbieden het proces-verbaal van de kantonrechter van 24 oktober 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft inkomen uit onderneming van maandelijks € 3.000,- tot € 3.500,- (bruto). Op 24 november 2025 hebben verzoekers één huurtermijn voldaan. Hoewel het niet in de betalingsomschrijving staat, hebben verzoekers zich op het standpunt gesteld dat deze betaling ziet op de huurtermijn van december 2025. Ook zullen verzoekers hun inkomen laten overmaken op een betalingsrekening van schuldenhulpverlening, waardoor voldoende is gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan.

3.Het verweer

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de huurbetaling van 24 november 2025 niet ziet op de maand december 2025, maar op de maand november 2025. Hierdoor is de lopende huurtermijn van december 2025 niet tijdig voldaan en kan verweerder overgaan tot ontruiming van de woning. De totale huurachterstand is inmiddels meer dan acht maanden en bedraagt meer dan € 10.000,-. De onderneming van verzoeker genereert onvoldoende inkomen om de lopende huurtermijnen te kunnen voldoen. Ook heeft verzoeker zich niet gehouden aan de afspraken uit het proces-verbaal van de kantonrechter van 24 oktober 2025. In dat kader wijst verweerder op de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van
26 november 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:13877. [1] Verweerder verzoekt het verzoek af te wijze.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekers een kopie van het proces-verbaal van de rechtbank Rotterdam van 24 oktober 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers en een kopie van het exploot van 14 november 2025 hebben overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerder op 2 december 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekers, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b lid 4 Fw omschrijft de voorzieningen die kunnen worden getroffen. In dit geval is verzocht om een voorziening te treffen die strekt tot het van toepassing verklaren van artikel 305 Fw. Dat artikel bepaalt (voor zover relevant), dat de tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis dat is uitgesproken wegens een financiële tekortkoming uit de huurovereenkomst, wordt opgeschort voor de duur van de wettelijke schuldsaneringsregeling indien het een tekortkoming van vóór de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling betreft, en de lopende verplichtingen inmiddels worden voldaan. Het gaat bij dergelijke tekortkomingen immers ook om financiële schulden, waarvoor de wettelijke schuldsaneringsregeling bedoeld is. Ontruimingsvonnissen die een andere grondslag hebben, zoals overlast, vallen niet onder het bereik van artikel 305 Fw en zijn wel tenuitvoer te leggen (ook in geval de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt toegepast). [2]
In deze zaak gaat het om een proces-verbaal van een comparitie van partijen, waarin is afgesproken dat de huurovereenkomst onder bepaalde voorwaarden eindigt en de verweerder in dat geval het gehuurde mag ontruimen. Naar het oordeel van de rechtbank kan de grosse van het onderhavige proces-verbaal gelijk gesteld worden met een vonnis als bedoeld in artikel 305, tweede lid, Fw.
Uit de samenhang van die artikelen leidt de rechtbank af dat een moratorium kan worden toegewezen indien de executoriale titel voor de ontruiming (die in dit geval voortkomt uit de grosse van het proces-verbaal) is gebaseerd op een tekortkoming in een financiële verplichting uit de huurovereenkomst. Het gaat dan om een bestaande achterstand in de betaling van de huurtermijnen, waarvoor het minnelijk traject (of een eventueel daarop volgende schuldsaneringsregelingstraject) geacht wordt een regeling te bieden (in de vorm van een - gedeeltelijke - betaling of kwijtschelding) terwijl de lopende verplichtingen worden voldaan. Daarvan is in dit geval sprake. Uit het proces-verbaal volgt immers dat partijen hebben afgesproken dat de huurovereenkomst eindigt als verzoekers in de aflossingsperiode de aflossing of de lopende huurtermijnen niet op tijd betalen. Dat zulks vervolgens het geval is geweest en de reden is om tot ontruiming over te gaan, staat tussen partijen niet ter discussie.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekers enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerder, anderzijds.
Het belang van verzoekers bestaat erin dat zij in de huurwoning kunnen blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekers kan worden doorlopen.
Het belang van verweerder bestaat erin dat zij het proces-verbaal van 24 oktober 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. De rechtbank ziet – gelet op de verklaring ter zitting – de huurbetaling van 24 november 2025 als huurbetaling voor december 2025. Ook zullen verzoekers hun inkomen laten overmaken op een betalingsrekening van schuldhulpverlening, waardoor voldoende is gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekers zwaarder te wegen dan het belang van verweerder.
De verzochte voorziening zal dan ook worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zullen verzoekers gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kunnen verzoekers te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 24 oktober 2025 opgemaakt proces-verbaal van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekers gelegen aan de [adres], [postcode] te [plaatsnaam], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
27 november 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van
S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025.

Voetnoten

1.Rb. Rotterdam 26 november 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:13877.
2.Zie ook de Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 942, nr. 3, p. 26