ECLI:NL:RBROT:2025:14798

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
C/10/710225 / JE RK 25-2357
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige na spoed

Op 25 november 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam een beschikking gegeven over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, hierna te noemen [voornaam minderjarige]. De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, die betrokken is bij de zorg voor [voornaam minderjarige]. De moeder van [voornaam minderjarige] verblijft momenteel in een penitentiaire inrichting en heeft het ouderlijk gezag over haar kind. De kinderrechter heeft eerder op 17 november 2025 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend, nadat er een ernstig incident had plaatsgevonden in het ziekenhuis waarbij de moeder [voornaam minderjarige] in levensgevaar heeft gebracht door haar los te koppelen van medische apparatuur. De kinderrechter heeft in deze beschikking de belangen van [voornaam minderjarige] vooropgesteld en geconcludeerd dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van het kind. De kinderrechter heeft de machtiging verlengd tot 21 januari 2026 en verklaard dat de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De kinderrechter heeft benadrukt dat het belangrijk is om te onderzoeken op welke manier contact tussen de moeder en [voornaam minderjarige] kan plaatsvinden, met inachtneming van de veiligheid van het kind.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/710225 / JE RK 25-2357
Datum uitspraak: 25 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, thans verblijvende bij PI [naam P.I.] ,
advocaat: mr. S.E.M. Hooijman, kantoorhoudende te Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 17 november 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • het plan van aanpak van de GI van 13 november 2025, ontvangen op 19 november 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft in een crisispleeggezin.
2.3.
Bij beschikking van 21 oktober 2025 is [voornaam minderjarige] (toen nog ongeboren) voorlopig onder toezicht gesteld tot 21 januari 2026.
2.4.
Bij beschikking van 17 november 2025 heeft de kinderrechter een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in het ziekenhuis en aansluitend in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 15 december 2025. Het overig verzochte is aangehouden. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter tevens vervangende toestemming voor de medische behandeling van [voornaam minderjarige] , inhoudende het uitvoeren van een FARR-onderzoek, verleend.

3.Het aangehouden verzoek

3.1.
De GI heeft verzocht een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 21 januari 2026, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Bij beschikking van 17 november 2025 is al beslist op de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] tot 15 december 2025. Er resteert nog een beslissing op de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] tot 21 januari 2026.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het aangehouden verzoek en licht het – onder verwijzing naar het verzoekschrift – als volgt toe. [voornaam minderjarige] verblijft inmiddels in een crisispleeggezin. Zij is van de sondevoeding af en is volgens het crisispleeggezin een rustige baby. De moeder verblijft op dit moment in PI Utrecht, waar zij met de reclassering een plan van aanpak dient te maken voordat zij wordt heengezonden. Een terugplaatsing van [voornaam minderjarige] bij de moeder is, gezien de huidige omstandigheden en zorgen, nog niet aan de orde. De GI begrijpt dat het voor de ontwikkeling en gehechtheid van [voornaam minderjarige] belangrijk is dat zo snel mogelijk contact tussen haar en de moeder plaatsvindt. Tegelijkertijd maakt de GI zich zorgen om de veiligheid van [voornaam minderjarige] tijdens dit contact. Voordat (fysieke) contactmomenten tussen de moeder en [voornaam minderjarige] kunnen plaatsvinden is daarom van belang dat het plan van aanpak van de reclassering wordt afgewacht, dat passende begeleiding wordt gevonden en dat de moeder individuele behandeling zal volgen. De GI is voornemens om dit op te nemen in een schriftelijke aanwijzing. Eventueel kan wel worden gestart met contact tussen de moeder en [voornaam minderjarige] via een videoverbinding. De jeugdbeschermer gaat morgen op bezoek bij het crisispleeggezin. Zij zal dan contact proberen op te nemen met PI Utrecht.
4.2.
Door en namens de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. De moeder begrijpt de zorgen om het incident dat in het ziekenhuis heeft plaatsgevonden en heeft hier veel spijt van. Zij is echter erg geschrokken van het feit dat zij wordt vastgehouden op verdenking van poging tot doodslag. De moeder heeft [voornaam minderjarige] nooit proberen te doden. Zij wilde haar alleen maar mee naar huis nemen en heeft daarom de monitorstickers verwijderd. De zuurstof was aldus de moeder eerder al door de artsen afgekoppeld. De moeder begrijpt dat [voornaam minderjarige] op dit moment niet bij haar kan worden teruggeplaatst. Wel is het belangrijk dat zo snel mogelijk contact tussen de moeder en [voornaam minderjarige] plaatsvindt. Dit kan onder duidelijke voorwaarden worden geregeld en er kan bijvoorbeeld worden gestart met videobellen. Het is niet in het belang van [voornaam minderjarige] om te wachten op het verdere verloop van de strafzaak of een plan van aanpak van de reclassering. Dit kan namelijk erg lang duren. Daarbij kan het opstarten van het contact tussen [voornaam minderjarige] en de moeder ook positief richtinggevend zijn voor het verdere verloop van de strafzaak. Wanneer de moeder onder voorwaarden in vrijheid wordt gesteld, kunnen deze voorwaarden hier eventueel op aansluiten.

5.De beoordeling

5.1.
Bij beschikking van 17 november 2025 is een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] verleend, nadat in het ziekenhuis een ernstig incident heeft plaatsgevonden. De moeder wilde [voornaam minderjarige] meenemen naar huis en heeft haar daarom losgekoppeld van noodzakelijke medische apparatuur. Het leven van, de amper een paar dagen oude, [voornaam minderjarige] is hiermee in levensbedreigend gevaar gebracht. Ondanks uiterste pogingen van verplegend-, medisch-, beveiligings- en politiepersoneel weigerde de moeder [voornaam minderjarige] terug te leggen en ook de aanwezigheid van de jeugdbeschermer was voor de moeder niet het teken om het belang van [voornaam minderjarige] bovenaan te stellen. Moeder was in feite niet meer bereikbaar, naar het zich laat aanzien vanuit haar diepe wanhoop, verdriet, boosheid en gevoel van onmacht. Wat daarvan ook zij: het belang van [voornaam minderjarige] dient, ook gelet op artikel 3 van het Internationale Kinderrechtenverdrag, bovenaan te staan. Ter zitting gaf de moeder aan dat zij zich dat realiseert.
5.2.
[voornaam minderjarige] verblijft inmiddels in een crisispleeggezin, waar het overwegend goed met haar gaat. Zij is van de sondevoeding af en wordt gezien als een mooi en rustig meisje. De moeder verblijft op dit moment in PI Utrecht. Het is nog onduidelijk of, wanneer en onder welke voorwaarden de moeder zal worden heengezonden. Totdat hierover meer duidelijkheid bestaat en totdat met de inzet van passende hulpverlening noodzakelijke stappen zijn gezet, is een terugplaatsing van [voornaam minderjarige] bij de moeder nog niet aan de orde.
5.3.
Hoewel een terugplaatsing van [voornaam minderjarige] bij de moeder nog niet aan de orde is, is het wel belangrijk dat wordt onderzocht op welke manier het contact tussen de moeder en [voornaam minderjarige] kan plaatsvinden. Dit is belangrijk voor de ontwikkeling en de gehechtheid van [voornaam minderjarige] . De kinderrechter begrijpt de zorgen van de GI met betrekking tot de veiligheid van [voornaam minderjarige] tijdens contactmomenten met de moeder. Het is daarom van belang dat hiertoe passende begeleiding wordt gezocht, dat de moeder individuele behandeling zal volgen en dat een goede samenwerking tussen de moeder en de GI ontstaat. De moeder heeft ter zitting daartoe haar toezegging gedaan. De kinderrechter heeft de moeder daarbij nadrukkelijk voorgehouden dat de moeder de mama is van [voornaam minderjarige] , en dus heel belangrijk. [voornaam minderjarige] heeft door het incident al veel ellende moeten doormaken, dat is uiteraard niet in haar belang.
5.4.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] daarom verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 21 januari 2026.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 21 januari 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.L.N. Snijder als griffier, en op schrift gesteld op 27 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.